2 Kron 34:8In zijn achttiende regeringsjaar, nadat hij in het land en in de tempel orde op zaken had gesteld, wees hij Safan, de zoon van Azalja, Maäseja, de bestuurder van Jeruzalem, en de kanselier Joach, de zoon van Joachaz, aan om de tempel te herstellen.1 Kron 1:22Uzal, Dikla, Ebal, Abimaël,1 Kron 4:29Bilha, Esem, Tolad,2 Kron 22:10Toen Achazjaʼs moeder Atalja hoorde dat haar zoon dood was, liet zij alle zonen van het koningshuis van Juda doden.1 Kron 2:39Azarjaʼs zoon was Cheles, Chelesʼ zoon was Elasa,2 Kron 15:1De Geest van God kwam over Azarja, de zoon van Oded,2 Kron 23:1In het zevende regeringsjaar van koningin Atalja raapte de priester Jojada al zijn moed bij elkaar en nam enkele legerofficieren in vertrouwen. Dat waren Azarja, de zoon van Jerocham, Jismaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri.Ex 28:19op de derde rij opaal, agaat en amethist,1 Kron 8:14Tot Elpaäls zonen behoorden ook Achio, Sasak en Jeremot.2 Kron 22:11Maar Josabat, een dochter van koning Joram en dus een zuster van Achazja, haalde Achazjaʼs zoon Joas weg bij de zonen die zouden worden gedood en verstopte hem met een verzorgster in een beddenkamer. Deze Josabat was de vrouw van de priester Jojada. Zo kon Atalja de kleine Joas niet doden.Joz 13:18Jahas, Kedemot, Mefaät,Ezra 10:27Van de familie Zattu: Eliënai, Eljasib, Mattanja, Jeremot, Zabad en Aziza.2 Kon 11:1Toen Atalja, de moeder van koning Achazja van Juda, hoorde dat haar zoon dood was, doodde zij al zijn kinderen,2 Kron 22:5Achazja volgde hun goddeloze advies op en sloot een bondgenootschap met koning Joram van Israël, een zoon van Achab. Joram was op dat moment in oorlog met koning Hazaël van Syrië. De strijd vond plaats bij Ramot in Gilead en Achazja leidde zijn leger daar naartoe om deel te nemen aan de strijd. Koning Joram van Israël raakte gewondNum 33:13en vandaar naar Alus. De volgende pleisterplaats was Refidim,1 Kron 4:16Jehallelels zonen waren Zif, Zifa, Tireja en Asarel.1 Kron 2:38Obeds zoon was Jehu, Jehuʼs zoon was Azarja,Ex 39:12op de derde rij opaal, agaat en amethist enHab 3:17Al zou de vijgenboom niet bloeien en de wijnstok geen druiven opleveren, al zou de oogst van de olijfboom teleurstellen en de akker geen voedsel geven, al zouden alle schapen uit de schaapskooien verdwenen zijn en geen runderen meer in de stal staan,Gen 49:22Jozef is een vruchtbare boom, die naast een bron staat. Zijn takken steken boven de muur uit.2 Kron 22:1De inwoners van Jeruzalem kozen toen Achazja, zijn jongste zoon, als nieuwe koning. Dat kon ook nauwelijks anders, want zijn oudere broers waren door de plunderende Arabieren gedood.1 Kron 7:33Jaflets zonen waren Pasach, Bimhal en Aswat.2 Kon 11:2-3uitgezonderd zijn één jaar oude zoon Joas. Joas werd gered door zijn tante Jehoseba, een zuster van koning Achazja. Zij was namelijk een dochter van koning Joram, Achazjaʼs vader. Zij haalde hem weg bij de andere kinderen van de koning die zouden worden gedood, en verborg hem en zijn verzorgster in een bergplaats in de tempel. Zij bleven daar zes jaar verborgen, terwijl Atalja over het land regeerde.1 Kron 4:30Betuël, Chorma, Siklag,2 Kon 8:26Achazja was tweeëntwintig jaar toen hij de troon besteeg, maar hij hield het slechts een jaar uit in Jeruzalem. Zijn moeder was Atalja, een kleindochter van koning Omri van Israël.Num 21:19Nachaliël en Bamot.2 Kon 1:17Achazja stierf zoals de HERE door Elia had voorspeld en zijn broer Joram werd de nieuwe koning. Achazja had namelijk geen zoon om hem op te volgen. Dit alles gebeurde in het tweede regeringsjaar van koning Joram van Juda, de zoon van Josafat.2 Kon 1:2Israëls nieuwe koning, Achazja, viel door een rooster in het bovenvertrek van zijn paleis in Samaria en raakte daarbij ernstig gewond. Hij stuurde boodschappers naar de tempel van de god Baäl-Zebub in Ekron om te vragen of hij weer beter zou worden.Op 7:6uit Aser, Naftali en Manasse,2 Kron 22:2Achazja was tweeëntwintig jaar toen hij de troon besteeg en regeerde één jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Atalja en was een kleindochter van Omri.Mat 1:13Zerubbabel de vader van Abiud, Abiud was de vader van Eljakim, Eljakim de vader van Azor,Num 7:16als zondoffer een bok2 Kron 4:21de bloemdecoraties,1 Kron 2:40Elasaʼs zoon was Sisemai, Sisemaiʼs zoon was Sallum,1 Kon 21:1Nabot, een man uit Jizreël, bezat een wijngaard aan de buitenkant van de stad, vlakbij Achabs buitenpaleis.Ex 40:10Zalf ook het brandofferaltaar en zijn toebehoren, zodat het allerheiligst wordt.Jes 2:15elke hoge toren en steile muur,2 Kron 23:12Koningin Atalja hoorde het lawaai en de vreugdekreten voor de koning en zij ging snel naar de tempel om te zien wat er gebeurde.Hoogl 4:12Mijn zusje, mijn bruid, je bent nu nog als een tuin zonder toegang, als een waterput afgedekt met een deksel, een bron die verzegeld is.2 Kon 15:3Azarja was een goede koning en net als zijn vader Amasja deed hij wat goed is in de ogen van de HERE.2 Kon 3:1Achabs zoon Joram kwam in Israël aan de regering in het achttiende regeringsjaar van koning Josafat van Juda. Joram regeerde twaalf jaar vanuit de hoofdstad Samaria.1 Kron 24:28Machliʼs nakomelingen waren Elazar, die geen zonen had,1 Kron 9:42Achaz was de vader van Jara en Jara was de vader van Alemet, Azmawet en Zimri. Deze laatste was de vader van Mosa.2 Kon 23:31-32Bij de troonsbestijging was Joachaz drieëntwintig jaar en zijn bewind in Jeruzalem duurde slechts drie maanden. Zijn moeder heette Chamutal en was een dochter van Jirmeja uit Libna. Hij voerde een goddeloos bewind, evenals zijn voorgangers.Mi 1:13Vlug, bevolking van Lachis! Span uw paarden in en vlucht. Want u was de eerste stad in Juda die Israëls slechte voorbeeld volgde door ook afgoden te aanbidden. En in navolging van u begonnen de andere steden in het zuiden ook zo te zondigen.1 Kron 6:11-15Deze Azarja was de vader van Amarja, de vader van Achitub, de vader van Sadok, de vader van Sallum, de vader van Chilkia, de vader van Azarja, de vader van Seraja, de vader van Josadak. Josadak werd balling, toen de HERE het volk van Juda en Jeruzalem gevangen liet nemen door Nebukadnessar.1 Kron 8:36Achaz was de vader van Jehoadda, Jehoadda was de vader van Alemet, Azmawet en Zimri. Zimriʼs zoon heette Mosa.2 Kon 15:6De rest van de geschiedenis van Azarja is beschreven in de Kronieken van de koningen van Juda.1 Kron 8:39Asels broer Esek had drie zonen: Ulam, de oudste, Jeüs, de tweede en Elifelet, de derde.Num 10:27en ten slotte de stam van Naftali, onder leiding van Achira, de zoon van Enan.Ex 28:18op de tweede rij hematiet, saffier en diamant,1 Kron 3:21Chananjaʼs zoon was Pelatja, Pelatjaʼs zoon was Jesaja,Ex 9:31Het vlas en de gerst waren door de zware hagel vernield, want de gerst droeg al aren en het vlas stond in bloei.1 Kron 1:30Adbeël, Mibsam, Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema,Hos 14:6Als dauw zal Ik Israël verfrissen. Zij zal bloeien als een lelie en haar wortels diep uitslaan als de ceders van de Libanon.Neh 12:2-7Ezra, Amarja, Malluch, Chattus, Sechanja, Rechum, Meremot, Iddo, Ginnetoi, Abia, Miamin, Maädja, Bilga, Semaja, Jojarib, Jedaja, Sallu, Amok, Chilkia en Jedaja.1 Kron 8:38Asel had zes zonen: Azrikam, Bocheru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan.1 Kon 19:17Ieder die aan Hazaël weet te ontsnappen, zal door Jehu worden gedood en zij die aan Jehu weten te ontsnappen, zullen door Elisa worden gedood!2 Kon 17:1-2Hosea, de zoon van Ela, werd de nieuwe koning van Israël. Zijn bewind in Samaria duurde negen jaar en was een goddeloos bewind, maar niet zo erg als dat van sommigen van zijn voorgangers. In Juda regeerde toen koning Achaz, die twaalf jaar aan de macht was toen Hosea zijn troon besteeg.Mat 1:14Azor de vader van Sadok, Sadok de vader van Achim, Achim de vader van Eliud,1 Kron 24:21de groep van Rechabja, onder leiding van zijn oudste zoon Jissia,Hos 5:8Sla alarm! Blaas op de bazuin in Gibea en op de trompet in Rama. Waarschuw de mensen uit Betel en Benjamin.Joz 2:1Daarop stuurde Jozua twee spionnen vanuit het kamp bij Sittim de rivier over om het gebied aan de overkant van de rivier te verkennen, in het bijzonder Jericho. De spionnen vertrokken en gingen het huis binnen van Rachab, een prostituee. Zij wilden daar de nacht doorbrengen.2 Kon 9:29Achazjaʼs bewind over Juda was begonnen in het twaalfde regeringsjaar van koning Joram van Israël.Ps 122:2Jeruzalem, wij staan in uw poorten.Ex 40:6Zet daarna het brandofferaltaar voor de ingang.Joz 13:25Dit gebied omvatte Jazer, alle steden van Gilead en de helft van het land van Ammon tot aan Aroër bij Rabba.1 Kron 1:31Jetur, Nafis en Kedema.Ri 1:13Kalebs neef Otniël, de zoon van zijn jongere broer Kenaz, bood zich aan, hij veroverde de stad en Achsa werd zijn vrouw.Joz 19:29Vanaf dat punt liep de grens in de richting van Rama en de versterkte stad Tyrus en bereikte de Middellandse Zee bij Chosa. Het gebied omvatte ook Machaleb, Achzib,Ez 17:6De top schoot wortel en groeide uit tot een lage, maar breed uitgroeiende wijnstok, waarvan de ranken zich naar de arend toekeerden en de wortels zich stevig in de grond verankerden. De ranken waren sterk en ook sproten er mooie bladeren uit de wijnstok voort.Gen 35:7Jakob bouwde daar een altaar en noemde het El-Betel (de God die bij Betel aan mij is verschenen), want dat was de plaats waar God aan hem verscheen, toen hij op de vlucht was voor Esau.Luk 19:1Jezus kwam in Jericho, maar bleef er niet. Hij trok meteen verder.1 Kron 26:25De geslachtslijn vanaf Eliëzer liep via Rechabja, Jesaja, Joram, Zichri en Selomit.Jes 29:2Want Jeruzalem zal dan haar bijnaam, Vuuraltaar, eer aandoen: het zal een altaar worden dat bedekt is met bloed.Hoogl 2:9Mijn liefste loopt als een gazel of een hertenjong. Kijk, nu staat hij achter de muur van ons huis en kijkt door de ramen.Hoogl 8:14Mijn liefste, kom snel naar mij toe. Doe als de gazelle of als een jong hert op bergen vol heerlijk struikgewas.Gen 29:24Laban gaf Lea een dienares, Zilpa.Jes 29:7Alle volken die Jeruzalem bestrijden, zullen als een droom verdwijnen!Joël 1:12De wijnstokken zijn verdord, de vijgenbomen stervend. De granaatappelbomen en palmen verdrogen en de appels verschrompelen aan de boom. Alle vreugde is met hen verdord.2 Kon 14:21Toen Amasja dood was, riep het volk van Juda zijn zestienjarige zoon Azarja tot koning uit.1 Kron 6:50-53De nakomelingen van Aäron waren Eleazar, Pinechas, Abisua, Bukki, Uzzi, Zerachja, Merajot, Amarja, Achitub, Sadok en Achimaäs.1 Kon 21:16Achab ging naar de wijngaard om die in bezit te nemen.Joz 8:26want Jozua hield zijn speer op Ai gericht tot ook de laatste overlevende dood was.1 Kron 2:16Hun zusters waren Seruja en Abigaïl. Serujaʼs drie zonen waren Absai, Joab en Asaël.Ps 78:47De hagel vernielde de druivenoogst en de ijzel bevroor de moerbeibomen.Mat 24:16en je bent in Judea, vlucht dan naar de bergen.Ezra 10:24Van de zangers alleen Eljasib. Van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri.Num 22:24De Engel van de HERE stond nu tussen twee muren op de weg, waar aan weerszijden wijngaarden lagen.1 Kon 18:45En inderdaad, kort daarna verduisterden grote regenwolken de hemel en een harde wind voerde een zware stortregen aan. Achab reed snel weg naar de stad Jizreël.Num 14:30zal het beloofde land binnengaan. Alleen Kaleb en Jozua mogen het land binnengaan.1 Kron 2:37Zabads zoon was Eflal, Eflals zoon was Obed,Num 33:46vandaar naar Almon-Diblataïm enJoz 6:25Zo spaarde Jozua de prostituee Rachab en al haar familieleden die bij haar in huis waren. Zij wonen nog steeds bij de Israëlieten omdat zij de spionnen die Jozua naar Jericho had gestuurd, had verborgen.Num 10:16en de stam van Zebulon, geleid door Eliab, de zoon van Chelon.Job 30:4Daar eten ze de zoutige neerslag van het struikgewas en de wortels van de brem,1 Kron 8:17-18Verder behoorden tot de zonen van Elpaäl Zebadja, Mesullam, Chizki, Cheber, Jismerai, Jizlia en Jobab.Joz 15:37-44De stam van Juda kreeg nog vijfentwintig andere steden met de dorpen eromheen. Dat waren: Senan, Chadasa, Migdal-Gad, Dilan, Mispe, Jokteël, Lachis, Boskat, Eglon, Kabbon, Lachmas, Kitlis, Gederot, Bet-Dagon, Naäma, Makkeda, Libna, Eter, Asan, Jiftach, Asna, Nesib, Keïla, Achzib en Maresa.Spr 8:3bij de poort, aan de ingang van de stad, en aan elke deur roept zij:Num 22:26De Engel van de HERE ging naar een plaats waar de weg zo smal was dat de ezelin er niet meer door kon.