1Het volgende liet de Oppermachtige HERE mij in een visioen zien: Hij was bezig een enorme zwerm sprinkhanen te vormen die na de eerste oogst, die als belasting naar de koning ging, alle weer opkomende gewassen moest verwoesten.2Zij vraten elk sprietje op. Toen zei ik: ‘HERE God, vergeef uw volk toch alstublieft! Stuur deze plaag niet! Als U zich tegen Israël keert, blijft niemand meer op de been. Israël is maar zo klein!’3De HERE zag er inderdaad van af en liet het visioen geen werkelijkheid worden. ‘Het zal niet gebeuren,’ zei Hij tegen mij.4Toen liet de Oppermachtige HERE mij een groot vuur zien dat Hij had gereedgemaakt om hen te straffen, dit vuur had alle wateren laten opdrogen en was nu bezig het hele land te vernietigen.5Ik zei toen: ‘Och, Oppermachtige HERE, doe dit toch alstublieft niet. Wie kan standhouden als U zich tegen hen keert? Israël is maar zoʼn klein volk!’6Toen liet de HERE ook dit plan varen en zei: ‘Ook dit zal niet gebeuren.’7Daarna toonde Hij mij het volgende: de Here stond bij een muur die met behulp van een paslood was gebouwd en controleerde het bouwsel met het paslood om te zien of hij wel recht was.8De HERE zei tegen mij: ‘Amos, wat ziet u?’ Ik antwoordde: ‘Een paslood.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal mijn volk Israël controleren met een paslood. Ik zal de straf niet langer uitstellen.9De afgodenaltaren en tempels van Israël zullen verwoest worden en het koningshuis van Jerobeam zal Ik met het zwaard uitroeien.’10Maar toen de priester Amasja uit Betel de woorden van Amos hoorde, stuurde hij snel de volgende boodschap naar koning Jerobeam: ‘Amos is een landverrader en beraamt een aanslag op uw leven. Dat kunnen we niet toelaten. Het hele land zal in opstand komen.11Want Amos zegt dat u zult worden gedood en dat het hele volk Israël als balling en slaaf naar een ver land zal worden weggevoerd.’12Vervolgens ging Amasja naar Amos en zei: ‘Maak dat je hier wegkomt, profeet! Vlucht maar naar Juda en ga daar maar profeteren!13Val ons hier niet lastig met je visioenen, in elk geval niet hier in de hoofdstad, waar het heiligdom van de koning staat!’14Maar Amos antwoordde: ‘Ik ben niet echt een van de profeten. Ik kom ook niet uit een profetenfamilie. Ik ben gewoon een herder en fruitplukker.15Maar de HERE haalde mij weg uit het herdersbestaan en zei: “U moet gaan profeteren voor mijn volk Israël.”16Luister daarom nu naar deze boodschap van de HERE aan u. U zegt: “Profeteer niet tegen Israël.”17Het antwoord van de HERE daarop is: “Vanwege uw overspel zal uw vrouw een prostituee worden in deze stad, zullen uw zonen en dochters worden gedood en zal uw land worden verdeeld. U zult zelf in een heidens land op onreine bodem sterven en de inwoners van Israël zullen zonder enige twijfel slaven in ballingschap worden, ver van hun vaderland.” ’
1Adonay YHVH me mostró así: He aquí Él iba criando langostas cuando comenzaba a brotar el heno tardío. Y he aquí era el heno tardío que viene después de la siega del rey.2Y aconteció que cuando acababan de comer la hierba de la tierra, yo dije: ¡Oh Adonay YHVH, perdona, te ruego! ¿Cómo podrá resistir Jacob, siendo tan pequeño?3Desistió YHVH de esto: No será, dijo YHVH.4Adonay YHVH me mostró así: He aquí Adonay YHVH llamaba a juicio mediante el fuego, y había consumido el gran abismo, e iba a devorar la tierra.5Entonces dije yo: ¡Oh Adonay YHVH, cesa ya, te ruego! ¿Cómo podrá resistir Jacob, siendo tan pequeño?6Desistió YHVH de esto: Tampoco esto será, dijo Adonay YHVH.7Me mostró así: He aquí Adonay estaba de pie sobre un muro hecho a plomo, y en su mano tenía una plomada.8Y me dijo YHVH: ¿Qué es lo que ves, Amós? Y respondí: Una plomada. Entonces me dijo Adonay: He aquí Yo aplico la plomada en medio de mi pueblo Israel; ya no lo pasaré más por alto.9Los lugares altos de Isaac serán asolados, los santuarios de Israel serán demolidos, y me levantaré con la espada contra la casa de Jeroboam.10Entonces Amasías, sacerdote de Bet-’El, envió a decir a Jeroboam rey de Israel: ¡Amós conspira contra ti en medio de la casa de Israel: la tierra no puede soportar sus palabras!11Porque Amós ha dicho: Jeroboam morirá a espada, e Israel será irremisiblemente deportado lejos de su tierra.12Y dijo Amasías a Amós: Vidente, vete, huye a la tierra de Judá, y come allí tu pan y allí profetiza,13pero no vuelvas más a profetizar en Bet-’El, porque es santuario del rey y templo del reino.14Pero Amós respondió a Amasías diciendo: No soy profeta ni hijo de profeta, sino boyero y cultivador de sicómoros,15pero YHVH me arrancó de detrás del rebaño, y YHVH me dijo: Ve, profetiza contra mi pueblo Israel.16Ahora pues, oye esta palabra de YHVH: Tú dices: No profetices contra Israel, Ni vaticines contra la casa de Isaac.17Por eso, así dice YHVH: Tu mujer se venderá en la ciudad como prostituta, y tus hijos e hijas caerán a espada, Tu tierra será repartida a cordel, y tú morirás en tierra inmunda; E Israel será irremisiblemente deportado lejos de su tierra.