Suche nach "job" | Het Boek

Het Boek (57 Treffer)
1Mo 46,8 Hier zijn de namen van zijn zonen en kleinkinderen die met hem meegingen naar Egypte: Ruben, zijn oudste zoon en diens zonen Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. Simeon en zijn zonen Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül (Saüls moeder was een Kanaänitische). Levi en zijn zonen Gerson, Kehat en Merari. Juda en zijn zonen Er, Onan, Sela, Peres en Zerach (Er en Onan waren in Kanaän gestorven). Peres had ook twee zonen: Chesron en Chamul. Issachar en zijn zonen Tola, Pua, Job en Simron. Zebulon en zijn zonen Sered, Elon en Jachleël. Hi 1,1 Het onheil slaat toe In het land Uz leefde een oprecht en vroom man. Hij heette Job. Hij had ontzag voor God en hield zich afzijdig van het kwaad. Hi 1,5 Na afloop van die feesten, die soms wel enkele dagen duurden, riep Job zijn kinderen altijd bij zich en heiligde hen. Daarvoor stond hij vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer. Hij deed dat met de overweging: ‘Misschien hebben mijn zonen gezondigd en hebben zij God vervloekt.’ Dit was een vaste gewoonte van Job. Hi 1,8 De HERE vervolgde: ‘Hebt u ook mijn dienaar Job gezien? Zoals hij is er niemand anders op aarde, een eerlijk en vroom man die ontzag heeft voor God en met het kwaad niets te maken wil hebben.’ Hi 1,14 Een boodschapper bracht Job het volgende nieuws: Hi 1,20 Job stond op, scheurde zijn kleren als teken van zijn verdriet, schoor zijn hoofd kaal en viel op de grond neer. Hi 1,22 Het kwam niet bij Job op onder deze omstandigheden te zondigen en God de schuld te geven. Hi 2,3 ‘En, hebt u nu op mijn dienaar Job gelet?’ vroeg de HERE. ‘Hij is een voortreffelijk man, hij heeft ontzag voor God en gaat het verkeerde uit de weg. Hij heeft zijn geloof in Mij behouden, ondanks dat u Mij overhaalde u toe te staan hem zonder reden kwaad te doen.’ Hi 2,7 Satan verliet de HERE en trof Job met vreselijke zweren. Van top tot teen zat hij onder. Hi 2,8 Job pakte een potscherf om zich mee te krabben en ging buiten de poort midden in het stof en vuil zitten. Hi 2,11 Toen drie vrienden van Job hoorden van het leed dat hem getroffen had, spraken zij af naar hem toe te gaan om hem te troosten en te bemoedigen. Het waren Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma. Hi 2,12 Job was zo veranderd dat zij hem van een afstand nauwelijks herkenden. Luid huilend scheurden zij hun kleren en gooiden stof in de lucht om hun verslagenheid kenbaar te maken. Hi 3,1 Job vervloekt zijn geboortedag Ten slotte verbrak Job het stilzwijgen en vervloekte de dag van zijn geboorte. Hi 6,1 Job antwoordt Elifaz Job antwoordde: Hi 8,1 De reactie van Bildad Toen zei Bildad uit Suach tegen Job: Hi 8,2 ‘Hoelang ga je zo nog door, Job, en blaas je woorden uit als een stormwind? Hi 9,1 Job antwoordt Bildad Job antwoordde daarop: Hi 11,1 De reactie van Sofar Daarop zei Sofar uit Naäma tegen Job: Hi 12,1 Job antwoordt Sofar Daarop antwoordde Job: Hi 19,1 Jobs reactie op Bildad Job gaf Bildad het volgende antwoord: Hi 21,1 Jobs reactie op Sofar Job antwoordde Sofar: Hi 22,1 De reactie van Elifaz Elifaz sprak voor de derde maal tegen Job: Hi 23,1 Jobs reactie op Elifaz Job antwoordde Elifaz daarop: Hi 25,1 Bildads reactie Bildad uit Suach antwoordde Job: Hi 26,1 Het antwoord van Job Job antwoordde Bildad: Hi 27,1 Jobs laatste verweer En Job vervolgde: Hi 28,1 Op zoek naar wijsheid Job vervolgde: ‘De mens weet waar hij zilver en goud kan vinden en hoe hij het moet zuiveren. Hi 29,1 Job kijkt terug op het verleden Job vervolgde: Hi 31,1 Het laatste verweer Daarop vervolgde Job ten slotte: ‘Ik had een overeenkomst gesloten met mijn ogen om nooit naar jonge vrouwen te kijken. Hi 31,40 laten er dan distels op dat land groeien in plaats van tarwe, en onkruid in plaats van gerst.’ Met die woorden besloot Job zijn uitvoerige antwoord. Hi 32,1 Elihu geeft zijn mening De drie mannen wilden Job geen antwoord meer geven, omdat hij bleef volhouden dat hij onschuldig was. Hi 32,2 Toen werd Elihu, de zoon van de Buziet Barachel uit de familie van Ram, kwaad omdat Job volhield dat hij onschuldig was tegenover God. Hi 32,3 Maar hij was ook boos op de drie vrienden van Job die hem wel hadden veroordeeld, maar zijn argumenten niet konden weerleggen. Hi 32,11 Ik heb een tijdje gewacht en ondertussen geluisterd naar wat u te zeggen had, maar geen van uw argumenten heeft Job ervan overtuigd dat hij een zondaar is. Hi 32,14 Job heeft met mij niet geredetwist en ik wil uw argumenten laten voor wat zij zijn. Hi 33,1 Elihu wijst Job terecht ‘Luister alstublieft naar wat ik te zeggen heb, Job. Hi 33,31 Let daar goed op, Job. Luister naar wat ik nog meer te zeggen heb. Hi 34,5 Job heeft namelijk gezegd: “Ik ben onschuldig, maar God spreekt dat tegen. Hij doet mij onrecht. Hi 34,7 Buiten Job is er niemand die zo aan kwaadsprekerij doet. Hij moet veel met slechte mannen zijn omgegaan, Hi 34,34 Verstandige mensen zullen het met mij eens zijn als ik zeg: “Job praat als iemand die geen inzicht heeft.” Hi 34,36 Job verdient het voortdurend op de proef te worden gesteld om de wijze waarop hij tegen God heeft gesproken. Hi 35,16 opent u opeens uw mond, Job. En alles wat u te zeggen hebt, is alleen maar onzin.’ Hi 37,14 Luister, Job, sta stil en kijk naar de machtige wonderen van God! Hi 38,1 Het antwoord van God Toen gaf de HERE Job vanuit een storm zijn antwoord: Hi 39,36 Job antwoordde God: Hi 40,1 God spreekt opnieuw Toen sprak God vanuit een wervelwind opnieuw tot Job en zei: Hi 42,1 Jobs antwoord aan God Daarna gaf Job de Here antwoord: Hi 42,7 Nadat de HERE tegen Job was uitgesproken, wendde Hij zich tot Elifaz uit Teman en zei: ‘Ik ben toornig op u en uw twee vrienden, want u had geen gelijk met wat u over Mij zei. Job had het wel bij het rechte eind. Hi 42,8 Neem nu zeven jonge stieren en zeven rammen, ga naar mijn dienaar Job en breng een brandoffer voor uzelf. Mijn dienaar Job zal voor u bidden en Ik zal naar hem luisteren terwijl hij voor u bidt, en u niet straffen zoals Ik eigenlijk zou moeten doen om uw zonde en omdat u niet op de juiste wijze over Mij hebt gesproken, in tegenstelling tot mijn dienaar Job.’ Hi 42,9 Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma deden wat de HERE hun had opgedragen. En de HERE aanvaardde het gebed dat Job voor hen uitsprak. Hi 42,10 Toen Job voor zijn vrienden had gebeden, gaf de HERE hem zijn rijkdom en geluk weer terug. Hij gaf hem zelfs tweemaal zoveel als vroeger. Hi 42,12 Op die manier zegende de HERE Job aan het eind van zijn leven meer dan Hij aan het begin had gedaan. Want nu bezat hij veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span ossen en duizend ezels. Hi 42,15 Nergens in het land waren zulke mooie vrouwen als de dochters van Job. Hun vader gaf hun ieder een stuk van de erfenis, net als hun broers. Hi 42,16 Job leefde daarna nog honderdveertig jaar en maakte nog mee dat zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen werden geboren. Hes 14,14 Als Noach, Daniël en Job nu in dit land zouden wonen, zouden zij alleen zichzelf kunnen redden door hun rechtvaardigheid,’ zegt de Oppermachtige HERE. Hes 14,20 dan zouden alleen Noach, Daniël en Job worden gered als zij hier verbleven en wel om hun rechtvaardigheid,’ stelt de HERE. Jak 5,11 Wij noemen hen gelukkig, omdat zij dwars door alles heen de Here trouw gebleven zijn. Denk maar eens aan Job, die het niet opgaf. U weet hoe het met hem afliep. Daaruit blijkt dat de Here liefdevol en goed is en vol medeleven zijn hulp geeft.