Suche nach "abraham" | Het Boek

Het Boek (223 Treffer)
1Mo 17,5 U zult niet langer Abram heten, maar voortaan is uw naam Abraham (Vader van velen), want dat zult u zijn. Zo heb Ik het bepaald. 1Mo 17,17 Abraham liet zich weer voor de HERE op de grond vallen en dacht lachend bij zichzelf: ‘Hoe kan een man van honderd jaar vader worden en een vrouw van negentig jaar nog een kind krijgen?’ 1Mo 17,22 Zo eindigde het gesprek en God verliet Abraham. 1Mo 17,23 Diezelfde dag nog besneed Abraham Ismaël en alle andere mannelijke huisgenoten—daar geboren of ergens gekocht—zoals God hem had opgedragen. 1Mo 17,24 Abraham was toen negenennegentig jaar, 1Mo 18,1 Abraham pleit voor Sodom De HERE verscheen opnieuw aan Abraham, die op dat moment bij het eikenbos van Mamre woonde. Op het heetst van de dag zat Abraham in de opening van zijn tent 1Mo 18,6 Abraham haastte zich terug naar de tent en zei tegen Sara: ‘Snel, bak een paar koeken voor onze gasten en gebruik je beste meel.’ 1Mo 18,8 Korte tijd later zaten de drie mannen aan een maaltijd van kaas, melk en geroosterd kalfsvlees. Abraham stond naast hen onder de boom terwijl zij aten. 1Mo 18,9 ‘Waar is uw vrouw Sara?’ vroegen de mannen hem. ‘In de tent,’ antwoordde Abraham. 1Mo 18,11 Abraham en Sara waren allebei erg oud en Sara was te oud om nog kinderen te kunnen krijgen. 1Mo 18,12 Daarom lachte ze in zichzelf om die woorden. ‘Een vrouw van mijn leeftijd die nog een kind krijgt? En dat met een man die zo oud is als Abraham?’ dacht ze. 1Mo 18,13 Maar de HERE zei tegen Abraham: ‘Waarom lacht Sara en gelooft zij niet dat een vrouw van haar leeftijd nog een kind kan krijgen? 1Mo 18,16 Daarna stonden de mannen op en liepen verder in de richting van Sodom. Abraham liep met hen mee om hen uitgeleide te doen. 1Mo 18,17 ‘Moet Ik mijn plannen eigenlijk wel voor Abraham verbergen?’ dacht de HERE. 1Mo 18,18 ‘Want uit Abraham zal een groot volk voortkomen en hij zal voor alle volken een zegen zijn. 1Mo 18,20 Daarom zei de HERE tegen Abraham: ‘Ik heb gehoord dat de inwoners van Sodom en Gomorra erg slecht zijn 1Mo 18,22 Terwijl die mannen doorliepen naar Sodom, bleef Abraham nog voor de HERE staan. 1Mo 18,23 Abraham kwam nog dichter bij en vroeg: ‘Gaat U de goeden tegelijk met de slechten doden? 1Mo 18,27 Abraham nam opnieuw het woord. ‘Ik heb nu mijn mond opengedaan, dus ik zal ook doorpraten, ook al ben ik maar een stoffelijk mens die tegen de HERE spreekt. 1Mo 18,29 Abraham vervolgde: ‘En als het er maar veertig zijn?’ God antwoordde: ‘Ik zal de stad niet vernietigen als Ik er veertig vind.’ 1Mo 18,30 ‘Word alstublieft niet boos,’ pleitte Abraham, ‘als ik zeg: wat als het er maar dertig zijn?’ En God antwoordde: ‘Ik zal niets vernietigen als het er dertig zijn.’ 1Mo 18,31 Toen zei Abraham: ‘Nu ik heb gewaagd tegen de HERE te spreken, kan ik ook verder spreken. Stel dat er maar twintig rechtvaardigen zijn?’ En God zei: ‘Ter wille van die twintig zal Ik de stad laten voortbestaan.’ 1Mo 18,32 ‘Dit is echt de laatste keer dat ik U iets vraag, HERE,’ kwam Abraham nog een keer, ‘maar wat doet U als het er tien zijn?’ En weer zei de HERE: ‘Ik zal de stad niet verwoesten als Ik tien rechtvaardigen vind.’ 1Mo 18,33 Na dit gesprek ging de HERE bij Abraham weg. En Abraham ging terug naar zijn tent. 1Mo 19,27 Diezelfde ochtend stond Abraham op en hij haastte zich naar de plaats, waar hij voor de HERE had gestaan. 1Mo 20,1 Abimelech door Abraham misleid Abraham trok in zuidelijke richting naar de Negev en vestigde zich tussen Kades en Sur. 1Mo 20,2 Net als in Egypte deed Abraham alsof Sara zijn zuster was. En inderdaad, koning Abimelech van Gerar liet haar bij zich brengen. 1Mo 20,9 Toen liet de koning Abraham bij zich komen. ‘Waarom hebt u dit gedaan?’ vroeg hij. ‘Wat heb ik u misdaan dat u mij en mijn mensen laat zondigen? Waarom hebt u dit eigenlijk gedaan?’ 1Mo 20,11 ‘Ja, ziet u,’ zei Abraham, ‘ik dacht dat dit een goddeloze stad was en vreesde dat u mij zou doden om mijn vrouw te kunnen nemen. Bovendien ís zij mijn zuster, zij het slechts een halfzuster (wij hebben dezelfde vader) en ik ben met haar getrouwd. 1Mo 20,14 Toen schonk koning Abimelech Abraham schapen, ossen, slaven en slavinnen en gaf hem ook zijn vrouw Sara terug. 1Mo 20,15 ‘Mijn land staat voor u open. U mag zich overal vestigen, waar u maar wilt,’ zei hij tegen Abraham. 1Mo 20,17 Toen bad Abraham en vroeg God om de koning, de koningin en de andere vrouwen van de hofhouding te genezen. 1Mo 21,2 Sara raakte in verwachting. Zo schonk ze Abraham op zijn hoge leeftijd nog een zoon en precies op de tijd die de HERE had genoemd. 1Mo 21,3 Abraham noemde de zoon die Sara hem geschonken had, Isaak (dat ‘Gelach’ betekent) 1Mo 21,5 Abraham was toen honderd jaar oud. 1Mo 21,7 Wie had kunnen dromen dat ik nog een baby zou krijgen? En toch heeft Abraham op zijn oude dag nog een zoon van mij gekregen.’ 1Mo 21,8 Het kind groeide op en de dag kwam dat hij geen borstvoeding meer nodig had. Bij die gelegenheid hield Abraham een groot feestmaal. 1Mo 21,10 Ze ging naar Abraham en zei: ‘Stuur die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak de erfenis deelt met de zoon van een slavin.’ 1Mo 21,11 Deze eis bracht Abraham in moeilijkheden, want Ismaël was tenslotte zijn zoon. 1Mo 21,14 Abraham stond de volgende morgen vroeg op, maakte eten klaar voor onderweg en bond een waterzak op Hagars rug. Zo stuurde hij hen beiden weg. Hagar zwierf door de woestijn van Berseba en wist niet waar zij heen moest. 1Mo 21,22 In diezelfde tijd brachten koning Abimelech en zijn opperbevelhebber Pichol Abraham een bezoek. De koning zei: ‘Het is duidelijk dat God u overal mee helpt, 1Mo 21,24 Abraham antwoordde: ‘Goed, ik zweer het.’ 1Mo 21,27 Toen schonk Abraham de koning schapen en ossen en zij sloten een verbond. 1Mo 21,28 Abraham hield echter zeven lammeren apart. ‘Waarom doet u dat?’ vroeg de koning verwonderd. ‘Deze lammeren zijn ook voor u,’ zei Abraham, ‘en zij zijn het teken dat ik de put gegraven heb.’ 1Mo 21,31 Vanaf dat moment werd de plaats Berseba (Put van de Eed) genoemd, want daar sloten Abraham en Abimelech hun verbond. 1Mo 21,33 Abraham plantte een tamarisk bij de put en aanbad daar de HERE, de eeuwige God. 1Mo 21,34 Abraham bleef nog lange tijd in het land van de Filistijnen wonen. 1Mo 22,1 Abrahams geloof op de proef gesteld Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei God. ‘Ja, HERE, hier ben ik,’ antwoordde Abraham. 1Mo 22,3 De volgende morgen stond Abraham vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee knechten mee en zijn zoon Isaak. Hij hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats die God had genoemd. 1Mo 22,4 Na drie dagen reizen zag Abraham in de verte de plaats die God hem had gezegd. 1Mo 22,6 Abraham liet Isaak het hout voor het offervuur dragen en nam zelf het mes en het vuur. Zo liepen zij samen verder. 1Mo 22,7 ‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat is er, mijn jongen?’ vroeg Abraham. ‘We hebben hout en het vuur,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam dat wij moeten offeren?’ 1Mo 22,8 ‘God zal Zelf voor een offerlam zorgen, jongen,’ antwoordde Abraham. En weer gingen zij samen verder. 1Mo 22,9 Toen zij aankwamen op de plaats die God Abraham had aangewezen, bouwde Abraham een altaar en stapelde het hout erop. Toen bond hij Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. 1Mo 22,11 Op dat moment riep de Engel van de HERE uit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Abraham. 1Mo 22,13 Abraham keek rond en zag vlakbij een ram, die met zijn horens in de struiken vastzat. In plaats van zijn zoon offerde hij die ram als een brandoffer op het altaar. 1Mo 22,14 Abraham noemde die plaats ‘De HERE voorziet erin.’ Daarom wordt ook nu nog gezegd: ‘Op de berg van de HERE zal Hij voorzien.’ 1Mo 22,15 Toen sprak de Engel van de HERE opnieuw tegen Abraham vanuit de hemel. 1Mo 22,19 Abraham keerde terug naar zijn twee dienaren en samen gingen ze terug naar Berseba, hun woonplaats. 1Mo 22,20 Enige tijd later kreeg Abraham bericht dat Milka, de vrouw van zijn broer Nachor, haar man acht zonen had gegeven. Us, de oudste, Buz, de op een na oudste, Kemuël (de vader van Aram), Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël (de vader van Rebekka). 1Mo 23,2 en stierf in Kirjat-Arba, ook Hebron genoemd, in het land Kanaän. Nadat Abraham enige tijd om haar gerouwd had, 1Mo 23,7 Na die woorden stond Abraham op, boog voor de mannen en zei: 1Mo 23,10 Efron zat tussen de andere mannen en stond nu op om Abraham te antwoorden. Iedereen luisterde aandachtig. 1Mo 23,12 Abraham boog opnieuw voor de mannen en antwoordde Efron: ‘Nee, ik wil het stuk grond van u kopen. 1Mo 23,16 Maar Abraham betaalde Efron vierhonderd zilverstukken, in gangbare munt. 1Mo 23,19 Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op het veld van Machpela, die hij als begraafplaats had gekocht van de Hethieten. 1Mo 24,1 Isaaks huwelijk met Rebekka Abraham was een oud man geworden en de HERE had hem in alle opzichten gezegend. 1Mo 24,2 Op een dag zei Abraham tegen zijn oudste dienaar, die zijn bezit beheerde: 1Mo 24,6 ‘Nee,’ waarschuwde Abraham, ‘dat mag je onder geen beding doen, 1Mo 24,12 ‘Och HERE, God van mijn meester,’ bad hij, ‘wees goed voor mijn meester Abraham en laat mijn opdracht slagen. 1Mo 24,27 ‘Dank U, HERE, God van mijn meester Abraham, voor uw trouw en goedheid en dat U mij rechtstreeks naar de familie van mijn meester hebt geleid.’ 1Mo 24,34 ‘Ik ben de dienaar van Abraham,’ begon de man zijn verhaal, 1Mo 24,42 Welnu, toen ik vanmiddag bij de waterput aankwam, heb ik gebeden en God gevraagd: “Och HERE, God van mijn meester Abraham, als U mijn opdracht wilt laten slagen, leidt U mij dan zo: 1Mo 24,48 Toen heb ik de HERE, de God van mijn meester Abraham, gedankt en geprezen, omdat Hij mij de dochter van mijn meesters broer had aangewezen als vrouw voor zijn zoon. 1Mo 24,65 ‘Wie is die man die ons door de velden tegemoetkomt?’ vroeg zij de dienaar van Abraham. ‘Dat is de zoon van mijn meester,’ was zijn antwoord. Daarop liet Rebekka haar sluier voor haar gezicht vallen. 1Mo 25,1 De dood van Abraham Abraham hertrouwde met Ketura en zij werd de moeder van Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. 1Mo 25,5 Abraham vermaakte zijn hele bezit aan Isaak. 1Mo 25,7 Toen stierf Abraham, hij was honderdvijfenzeventig jaar oud geworden. 1Mo 25,9 Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem bij zijn vrouw Sara in de grot van Machpela, bij Mamre, in de grond die Abraham had gekocht van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar. 1Mo 25,12 Hier is een lijst, in volgorde van geboorte, van de zonen van Ismaël, de zoon van Abraham en Hagar, de Egyptische dienares van Sara: Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam, Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. 1Mo 26,1 De welvaart van Isaak Er ontstond een zware hongersnood in het land, zoals al eerder was gebeurd toen Abraham naar Egypte uitweek. Isaak trok nu naar Gerar, waar koning Abimelech van de Filistijnen nog steeds de scepter zwaaide. 1Mo 26,3 Doe wat Ik zeg en blijf in dit land. Als u dat doet, zal Ik bij u zijn en u zegenen. Dit hele land zal Ik u en uw nakomelingen geven, net zoals Ik uw vader Abraham heb beloofd. 1Mo 26,5 Dat doe Ik allemaal omdat Abraham mijn bepalingen en wetten gehoorzaamde.’ 1Mo 26,15 Ze begonnen zijn waterputten, de bronnen die de dienaren van zijn vader Abraham hadden gegraven, dicht te gooien met aarde. 1Mo 26,24 ʼs Nachts verscheen de HERE aan hem en zei: ‘Ik ben de God van uw vader Abraham. Wees niet bang, want Ik ben bij u en zal u zegenen. Ik zal u zoveel nakomelingen geven dat ze een groot volk vormen, omdat Ik dat heb beloofd aan Abraham, die Mij heeft gehoorzaamd.’ 1Mo 28,4 Hij geve jou en je nakomelingen de zegeningen die Hij Abraham heeft beloofd. Hij geve je het land waarin wij nu als vreemdelingen wonen en dat Hij Abraham al heeft beloofd.’ 1Mo 28,13 Boven aan de ladder stond de HERE. ‘Ik ben de HERE,’ zei Hij, ‘de God van Abraham en van uw vader Isaak. De grond waarop u ligt, is van u! Ik zal hem u en uw nakomelingen geven. 1Mo 31,42 Als het aan u had gelegen en God—de God van mijn grootvader Abraham, de glorierijke God van mijn vader Isaak—niet goed voor mij was geweest, dan had u mij zonder iets weggestuurd. Maar God heeft uw wreedheid en mijn harde werken gezien, daarom is Hij de afgelopen nacht aan u verschenen.’ 1Mo 31,53 De God van Abraham en Nachor en van hun vader zal degene die dat wel doet, vernietigen.’ Toen zwoer Jakob bij de Machtige God van zijn vader Isaak dat hij de scheidingslijn zou eerbiedigen. 1Mo 32,9 Toen bad Jakob: ‘God van mijn grootvader Abraham en mijn vader Isaak, HERE, die mij heeft gezegd dat ik moest teruggaan naar het land van mijn familie en die beloofde goed voor mij te zijn—ik ben het niet waard dat U mij zoveel goedheid hebt bewezen, steeds weer, zoals U had beloofd. Toen ik van huis vertrok, had ik alleen maar een staf en nu heb ik twee legers! 1Mo 35,12 Ik zal u het land geven dat Ik ook aan Abraham en Isaak heb gegeven. Ja, Ik zal het aan u en uw nakomelingen geven.’ 1Mo 35,27 Zo kwam Jakob dan eindelijk aan bij zijn vader Isaak te Mamre in Kirjat-Arba (tegenwoordig Hebron), waar ook Abraham had gewoond. 1Mo 48,15 Toen zegende hij Jozef met de woorden: ‘Moge God, de God van mijn voorouders Abraham en Isaak, de God die mij mijn hele leven als een herder heeft geleid, deze mannen zegenen. 1Mo 48,16 Hij is de Engel die mij in moeilijke tijden altijd heeft geholpen. Mogen Jozefs zonen de namen van mij en van mijn voorouders Abraham en Isaak eer aandoen en mogen zij tot een groot volk uitgroeien.’ 1Mo 49,30 in het land Kanaän in de grot van Machpela, die tegenover Mamre ligt, het veld dat Abraham als begraafplaats van de Hethiet Efron kocht. 1Mo 49,31 Daar begroeven ze Abraham en zijn vrouw Sara, daar begroeven ze Isaak en zijn vrouw Rebekka en daar begroef ik Lea. 1Mo 49,32 Het is de grot die Abraham van de Hethieten kocht.’ 1Mo 50,24 ‘Ik zal spoedig sterven,’ zei Jozef tegen zijn broers, ‘maar God zal zeker komen en jullie uit het land Egypte terugbrengen naar het land dat Hij heeft beloofd aan de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob.’ 2Mo 2,24 God hoorde hen in de hemel en dacht aan het verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten (Hij zou hun nakomelingen naar het land Kanaän terugbrengen). 2Mo 3,6 Ik ben de God van uw voorouders. Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes hield zijn handen voor zijn ogen, want hij durfde niet naar God te kijken.
Weitere Ergebnisse laden ...