Het Boek
(314 Treffer)
1Mo 38,8
Toen zei Juda tegen Ers broer, Onan: ‘Jij moet met Tamar trouwen, zoals de wet dat voorschrijft aan de broer van een dode. De zonen die zij van jou krijgt, zullen Ers erfgenamen zijn.’
1Mo 47,26
Jozef maakte een wet voor het land Egypte—en die wet is nog steeds van kracht—dat twintig procent van alle oogsten door de farao werd opgeëist als een belasting. De enige uitzondering daarop vormde het land dat eigendom was van de tempels.
2Mo 12,17
Dit jaarlijkse Feest van de Ongezuurde Broden zal een herinnering zijn aan deze dag, de dag dat Ik u uit het land Egypte heb geleid. Het is mijn eeuwigdurende wet dat u deze dag van generatie op generatie zult vieren.
2Mo 12,49
Een en dezelfde wet geldt zowel voor de geboren Israëliet als voor de vreemdeling die bij het volk woont.’
2Mo 21,31
Dezelfde wet geldt als de stier een jongen of een meisje doodt.
2Mo 24,12
De HERE zei tegen Mozes: ‘Klim omhoog naar de plaats waar Ik ben, dan zal Ik u de wet en de geboden geven, die Ik op stenen plaquettes heb geschreven, zodat u het volk ermee kunt onderwijzen.’
2Mo 25,16
In de ark moeten de stenen plaquettes waar de wet op staat, komen te liggen.
2Mo 25,21
Leg het verzoendeksel op de ark en leg daar de stenen plaquettes met de wet in die Ik u zal geven.
2Mo 31,16
Zes dagen moeten jullie werken, maar op de sabbat moet iedereen volkomen rust houden, want het is een heilige dag voor de HERE. Deze wet is een eeuwigdurend verbond en een verplichting van geslacht op geslacht voor het volk Israël.
3Mo 3,17
Dit is een eeuwige wet voor het hele land en alle geslachten. U mag absoluut geen vet of bloed eten.’
3Mo 5,17
Ieder die ongehoorzaam is aan de wet van God zonder het zich bewust te zijn, is toch schuldig en moet een offer brengen, waarvan de waarde is geschat. Dit moet een ram zonder gebreken zijn, dat als een schuldoffer naar de priester moet worden gebracht. Met die ram zal de priester de zonde verzoenen, zodat hem wordt vergeven wat hij, zonder het te beseffen, heeft misdaan.
3Mo 15,32
Dit is de wet voor de man die onrein is door een geslachtsziekte of een zaadlozing, voor de menstruatie van een vrouw en voor iedereen die geslachtsgemeenschap met haar heeft in de tijd van haar onreinheid.
3Mo 16,13
Daar moet hij, voor het oog van de HERE, het reukwerk op de gloeiende kolen leggen. Zo zal een wolk van reukwerk het verzoendeksel bedekken dat op de ark ligt (waarin de stenen plaquettes met de wet liggen), opdat hij niet sterft.
3Mo 16,29
Dit is een wet die altijd van kracht blijft: op de tiende dag van de zevende maand mag u niet werken. Het moet een dag zijn van zelfonderzoek en vasten voor de HERE. Dit geldt zowel voor de geboren Israëliet als voor de buitenlander die bij u woont.
3Mo 16,31
Het is een sabbat van volledige rust, die in ingetogenheid moet worden doorgebracht. Dit is een altijd geldende wet.
3Mo 16,34
Dit zal een altijd geldende wet voor u zijn. Zo zult u eenmaal per jaar verzoening doen voor de zonden van het volk Israël.’
3Mo 17,7
De mensen zullen dan niet meer in het veld aan boze geesten offeren en deze daardoor overspelig nalopen. Dit zal een altijd geldende wet voor u zijn, van generatie op generatie.
3Mo 17,12
Dat is de bedoeling van mijn wet voor het volk Israël dat noch zij noch een vreemdeling die bij hen woont, bloed mogen eten.
3Mo 22,16
Degene die deze wet overtreedt, is schuldig doordat hij van de heilige offers heeft gegeten: want Ik ben de HERE. Ik heilig de offers.’
3Mo 23,14
Dit alles moet eerst worden gedaan, voordat u zelf van de oogst—brood, geroosterd of vers koren—eet. Dit is een eeuwige wet voor het hele volk.
3Mo 23,21
Die dag zult u allen bijeenroepen voor een heilige samenkomst, laat die dag al het werk rusten. Dit is een wet die van generatie op generatie van kracht blijft.
3Mo 23,30
Ieder die op die dag toch werkt, zal Ik vernietigen. Dit is een wet voor Israël en voor alle komende generaties.
3Mo 23,41
Dit jaarlijkse zevendaagse feest is een wet voor alle volgende generaties.
3Mo 24,9
Het brood zal door Aäron en zijn zonen worden gegeten op een heilige plaats. Want dit zijn brandoffers voor de HERE volgens een eeuwige wet van God, zij zijn allerheiligst.’
3Mo 24,15
Vertel de Israëlieten dat ieder die God lastert, voor zijn zonde moet boeten: hij moet sterven. Alle aanwezigen zullen hem stenigen. Deze wet geldt zowel voor de buitenlander als voor de Israëliet die de naam van de HERE lastert. Hij moet sterven.
3Mo 24,22
U zult dezelfde wet hanteren voor de buitenlander en de geboren Israëliet, want Ik ben de HERE, uw God.’
4Mo 5,29
Dit is de wet voor ontrouwe vrouwen—of de verdenkingen van een man tegenover zijn vrouw—
4Mo 5,30
om te bepalen of zij inderdaad ontrouw is geweest. Hij zal haar voor de HERE brengen en de priester zal volgens deze wet handelen.
4Mo 9,14
Als er een buitenlander bij u woont die Pesach, het Paasfeest voor de HERE, wil meevieren, moet hij dezelfde instructies opvolgen. Er is één wet voor allen, zowel voor uw volksgenoten als voor vreemdelingen.’
4Mo 15,15
Want hier geldt dezelfde wet voor Israëlieten en buitenlanders en dit zal van generatie op generatie zo blijven, allen zijn gelijk voor de HERE. Ja, er is één wet voor allen!’
4Mo 15,31
Want hij heeft de wet van de HERE veracht en opzettelijk geweigerd deze te gehoorzamen. Hij moet worden gedood en zal op die manier voor zijn zonde boeten.’
4Mo 19,2
‘Hierbij geef Ik u nog een wet: zeg het volk Israël dat het u een rode jonge koe zonder gebreken brengt die nog nooit een juk heeft gedragen.
4Mo 19,14
Als een man sterft in een tent, geldt deze wet: ieder die de tent binnengaat en zij die tijdens het overlijden binnen zijn, zullen zeven dagen onrein zijn.
4Mo 19,21
Dit is een eeuwige wet. De man die het water sprenkelt, moet daarna zijn kleren wassen, en iemand die het water aanraakt, zal tot de avond onrein zijn.
4Mo 31,21
Toen zei de priester Eleazar tegen de mannen die de strijd hadden gevoerd: ‘Dit is de wet die de HERE Mozes heeft gegeven:
4Mo 31,23
zal in het vuur worden gehouden om volgens de voorschriften van de wet te worden gereinigd. Daarna moet het worden gereinigd met reinigingswater. Maar alle voorwerpen die niet tegen vuur bestand zijn, zullen alleen met water worden gereinigd”.
Jos 1,7
U hoeft alleen sterk en moedig te zijn en heel de wet die Mozes u gaf, letterlijk te gehoorzamen. Als u dat doet, zal alles wat u onderneemt, gelukken.
1Sam 2,16
Als de man die het offer bracht, antwoordde: ‘Neem zoveel u wilt, maar eerst moet het vet worden verbrand, zoals de wet voorschrijft,’ dan zei de dienaar brutaalweg: ‘Nee, ik wil het nu hebben en als ik het niet goedschiks krijg, neem ik het kwaadschiks.’
1Sam 30,25
Vanaf dat moment maakte David dat tot een wet voor heel Israël en deze is nog steeds van kracht.
1Kön 2,3
Gehoorzaam de wetten van God en volg al zijn wegen. Leef de geboden, voorschriften en aanwijzingen die in de wet van Mozes staan na, zodat het je goed zal gaan bij alles wat je doet en waar je ook gaat.
2Kön 14,6
Hun kinderen doodde hij niet, omdat de HERE in de wet van Mozes had verboden dat vaders voor hun kinderen moesten sterven of kinderen met hun leven moesten boeten voor de zonden van hun vaders. Ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen zonden.
2Chr 23,11
Toen brachten zij de jonge prins naar buiten, zetten hem de kroon op het hoofd, gaven hem een afschrift van de wet van God in de hand en riepen Joas uit tot koning. ‘Lang leve de koning!’ klonk het toen Jojada en zijn zonen Joas zalfden.
2Chr 23,18
Jojada wees de Levitische priesters aan als opzichters en gaf hun tot taak de brandoffers aan de HERE te brengen, zoals het in de wet van Mozes werd bevolen. Hij hanteerde dezelfde taakverdeling voor de families van de Levieten als koning David had gedaan. Hun werk moest plaatshebben onder blij gezang.
2Chr 25,4
Hun kinderen doodde hij echter niet, want hij hield zich aan het gebod van de HERE in de wet van Mozes dat de vaders niet hoefden te sterven voor de zonden van hun kinderen, noch de kinderen voor de zonden van hun vaders. Nee, iedereen moet boeten voor zijn eigen zonden.
2Chr 30,16
Zij stonden op de plaatsen die hun waren aangewezen in de wet van Mozes, de man van God, en de priesters sprenkelden met het bloed dat zij van de Levieten kregen aangereikt.
2Chr 31,3
Tevens schonk hij uit zijn eigen bezit dieren die konden worden gebruikt voor de brandoffers die elke morgen en avond, voor de wekelijkse viering van de sabbat en de maandelijkse viering van de nieuwe maan en voor de viering van de jaarlijkse feesten werden gebracht, zoals in de wet van God was voorgeschreven.
2Chr 31,4
Verder riep hij de inwoners van Jeruzalem op, hun bijdragen te leveren voor de priesters en Levieten, zodat die niet met andere bezigheden in hun levensonderhoud hoefden te voorzien, maar zich volledig konden wijden aan de taken die hun in de wet van God waren opgedragen.
2Chr 31,5
De mensen reageerden spontaan en gaven royaal een deel van hun nieuwe oogst weg: koren, nieuwe wijn, olijfolie, honing en nog andere opbrengsten van het veld. Zij gaven een tiende deel van alles wat zij bezaten en waarvan de wet zei dat het aan de HERE, hun God, moest worden gegeven. Ook de mensen uit Israël en Juda die in de Judese steden woonden, brachten een tiende deel van hun vee en hun schapen en bovendien nog een tiende deel van de gewijde voorwerpen die aan de HERE werden gegeven, en maakten er grote stapels van.
2Chr 35,12
Zij stapelden het offervlees voor elke familie op, zodat die hun eigen brandoffers aan de HERE konden aanbieden. Zo was het in de wet van Mozes bevolen. Hetzelfde deden zij met de ossen.
2Chr 35,13
In navolging van de wet van Mozes roosterden zij daarna de paaslammeren op het vuur en kookten de andere heilige offers in potten, ketels en pannen, die daarna snel naar de buiten wachtende mensen werden gebracht om op te eten.
Esr 3,2
Het altaar van de God van Israël werd herbouwd door Jesua, de zoon van Josadak, en zijn broers, de priesters, en door Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn broers. Eindelijk kon het weer worden gebruikt om brandoffers te brengen zoals was voorgeschreven in de wet die Mozes van God had gekregen.
Esr 3,4
Ook het Loofhuttenfeest werd gevierd zoals in de wet van Mozes was voorgeschreven. Op elke dag van het feest brachten zij het vereiste aantal brandoffers.
Esr 7,6
Als geestelijk leider wist Ezra bijzonder veel van de wet die Mozes had ontvangen van de HERE, de God van Israël. Op zekere dag vroeg hij koning Artaxerxes of hij naar Jeruzalem mocht terugkeren. De koning gaf hem toestemming, want God was Ezra goedgezind.
Esr 7,10
Ezra was namelijk vastbesloten de wet van de HERE te bestuderen en te gehoorzamen. En hij wilde deze wet ook onderwijzen aan het volk Israël.
Esr 7,12
‘Van: koning Artaxerxes. Aan: Ezra, de priester en leraar van de wet van de God van de hemel.
Esr 7,14
Ik en mijn zeven adviseurs geven u opdracht naar Juda en Jeruzalem te gaan om daar te onderzoeken of de wet van uw God, waarover u beschikt, goed wordt nageleefd.
Esr 7,21
Ik, koning Artaxerxes, stuur het volgende bevel aan alle schatbewaarders in het gebied ten westen van de Eufraat: “U moet Ezra, de priester en leraar van de wet van de God van de hemel, alles geven wat hij vraagt,
Neh 8,1Ezra leest voor uit de wet van God
Aan het begin van de zevende maand verzamelden alle Israëlieten zich op het plein voor de Waterpoort. Zij vroegen de priester Ezra voor te lezen uit de wet die de HERE door Mozes aan Israël had gegeven.
Neh 8,2
Ezra haalde de boekrol waarin de wet van Mozes was opgeschreven. Hij ging staan op een houten verhoging die speciaal voor deze gelegenheid was gemaakt. Zo kon iedereen hem zien, terwijl hij las. Hij stond aan het begin van het plein voor de Waterpoort en las voor van zonsopgang tot in de namiddag. Ieder die oud genoeg was om het te begrijpen, luisterde aandachtig. Rechts van hem stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja. Links van hem Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zecharja en Mesullam.
Neh 8,9
Alle aanwezigen barstten in tranen uit bij het horen van de geboden uit de wet. Maar Ezra, die Gods wet kende, en ik als gouverneur en de Levieten die de uitleg gaven, zeiden tegen hen: ‘Huil niet op een dag als vandaag! Want vandaag is het een heilige dag voor de HERE, uw God. Het is een feestdag, waarbij een feestmaal hoort!
Neh 8,13
De volgende dag kwamen de familiehoofden, de priesters en de Levieten bij Ezra om de wet nader te bestuderen.
Neh 8,18
Op elk van de zeven feestdagen werd uit de wet voorgelezen. En op de achtste dag was er een feestelijke slotbijeenkomst, zoals in de wet van Mozes was voorgeschreven.
Neh 10,34
Toen lootten wij erom welke families van priesters, Levieten of gewone mensen hout moesten leveren voor de brandoffers in de tempel. Dit gebeurde in overeenstemming met de voorschriften uit de wet en het hout moest jaarlijks op een vastgestelde tijd worden geleverd.
Neh 10,36
En we spraken af onze oudste zonen en de eerstgeborenen van ons rundvee en ons kleinvee aan God te geven, zoals de wet vereist. We zouden ze bij de priesters brengen die in de tempel dienstdeden.
Neh 10,39
De wet zei dat het volk en de Levieten deze bijdragen, bestaande uit graan, nieuwe wijn en olijfolie, naar de tempel moesten brengen en in de daarvoor bestemde vaten opslaan. Dienstdoende priesters, poortwachters en zangers konden er dan gebruik van maken. Zo spraken wij af dat wij de tempel van onze God niet zouden verwaarlozen.
Est 1,15
‘Vertel mij wat ik moet doen,’ vroeg hij hun. ‘Wat moet er volgens de wet gebeuren met koningin Wasti, nu zij geen gevolg heeft gegeven aan het bevel dat ik haar door mijn hovelingen heb laten overbrengen?’
Est 1,19
Wij stellen voor dat u, als u het goedvindt, een koninklijk besluit uitvaardigt, een wet van Meden en Perzen, die niet kan worden herroepen. Daarin kondigt u aan dat koningin Wasti uit uw nabijheid wordt gebannen. En u maakt bekend een nieuwe koningin te zullen kiezen die zich waardiger gedraagt.
Est 3,14
In de brief stond dat een afschrift van de brief als wet moest worden uitgevaardigd in elk gewest. Elk volk moest het horen. Dan zou iedereen weten wat hem die dag te doen stond.
Est 8,13
Een afschrift van dit schrijven moest overal als wet worden uitgevaardigd. Elk volk moest ervan op de hoogte worden gebracht. De Joden kregen de opdracht die dag klaar te staan om zich op hun vijanden te wreken.
Hi 12,6
De tenten van de rovers worden met rust gelaten en zij die God uitdagen, menen Hem de wet te kunnen voorschrijven.
Ps 19,8
De wet van de HERE is volmaakt en goed, zij verandert ons leven. De woorden van de HERE zijn altijd betrouwbaar, zij geven wijsheid aan de onwetende.
Ps 37,31
In alles geldt voor hem de wet van God. Hij raakt nooit uit zijn evenwicht.
Ps 40,8
Toen zei ik: ‘Hier ben ik, in de wet werd al over mij geschreven.
Ps 40,9
Mijn hele hart verlangt ernaar uw wil te doen, mijn God. Uw wet is mijn leven.’
Ps 51,21
Dan zullen de offers die volgens de wet worden gebracht, U genoegen doen. Dan zullen grote brandoffers aan U gebracht worden, hele stieren worden op uw altaar gebracht.
Ps 78,5
Hij richtte in ons land gedenktekens op die aan Hem herinnerden en gaf ons volk zijn wet, de wet van Israël. Hij gaf onze voorouders bevel het aan de kinderen door te geven.
Ps 78,10
Zij hielden Gods geboden niet en weigerden zijn wet te gehoorzamen.
Ps 99,4
De koning, door U aangesteld, houdt van eerlijke rechtspraak. U hebt het volk een zuivere wet gegeven. U hebt het een rechtvaardige wetgeving geschonken.
Ps 99,7
Hij sprak met hen in de wolkkolom, zij hebben altijd gedaan wat Hij zei. Zijn woord was voor hen wet.
Ps 105,45
Wel verlangde God van hen dat zij zijn geboden zouden naleven en zijn wet trouw zouden navolgen. Prijs de HERE!
Ps 119,1
Gelukkig zijn de mensen die een zuiver leven leiden en zich houden aan de wet van de HERE.
Ps 119,6
Dan zou ik mij nooit hoeven schamen als ik uw wet las.
Ps 119,12
HERE, U bent het zo waard te worden geprezen! Leer mij alles over uw wet.
Ps 119,18
Open mijn ogen, zodat ik alle wonderen in uw wet kan ontdekken.
Ps 119,21
Mensen die eigenzinnig van uw wet afdwalen, worden door U bedreigd en zijn al vervloekt.
Ps 119,27
Laat mij begrijpen wat U in uw wet bedoelt, zodat ik kan nadenken over alle wonderen die U doet.
Ps 119,32
Ik zal de weg van uw wet volgen, omdat U mij alle levensruimte geeft.
Ps 119,33
Leer mij, HERE, hoe ik de weg van uw wet kan volgen. Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden.
Ps 119,34
Maak mij verstandig, want dan kan ik uw wet houden zoals U wilt. Met mijn hele hart wil ik mij aan uw wet houden.
Ps 119,44
Ik wil mij onafgebroken houden aan uw wet, mijn leven lang.
Ps 119,46
Zelfs voor koningen kan ik dan over uw wet spreken zonder mij te schamen.
Ps 119,47
Ik geniet van uw wet en houd van haar.
Ps 119,51
Ongelovigen kunnen mij nog zo bespotten, ik stap niet af van uw wet.
Ps 119,53
De goddeloze mensen die uw wet links laten liggen, brengen mij tot grote verontwaardiging.
Ps 119,61
Hoewel de ongelovigen om mij heen mij voortdurend willen vangen, vergeet ik niet wat U in uw wet zegt.
Ps 119,66
Geef mij een goed onderscheidingsvermogen en verstand, want ik stel mijn vertrouwen op uw wet.
Ps 119,69
Ongelovigen schuiven mij allerlei leugens in de schoenen, maar ik houd mij met mijn hele hart vast aan uw wet.
Ps 119,70
Zij hebben harten van steen, maar ik ervaar vreugde als ik aan uw wet denk.
Ps 119,71
Het is goed dat ik grote moeilijkheden heb doorgemaakt, want daardoor heb ik U en uw wet beter leren kennen.
Ps 119,73
U hebt mij met uw eigen handen gemaakt. Maak mij verstandig, zodat ik alles over uw wet kan leren.