Het Boek
(388 Treffer)
1Mo 1,9
Daarna zei God: ‘Laat het water onder de hemel samenstromen in zeeën en het droge land zichtbaar worden.’ En dat gebeurde.
1Mo 1,10
God noemde het droge land ‘aarde’ en het samengestroomde water ‘zeeën’. God zag dat het goed was.
1Mo 7,18
Het water steeg en steeg, maar de ark bleef veilig drijven.
1Mo 7,19
Ten slotte bedekte het water ook de hoogste bergen.
1Mo 8,1Het water zakt
Maar God had Noach en de dieren in de ark niet vergeten. Hij stuurde de wind over het water en langzaam begon het water te zakken.
1Mo 8,3
Het water zakte na honderdvijftig dagen weg en
1Mo 8,5
Drie maanden later kwamen ook de andere bergtoppen boven het zakkende water uit.
1Mo 8,9
maar de duif vond nergens een plek om neer te strijken en vloog terug naar de ark. Het water stond nog te hoog. Noach stak zijn hand uit en zette de duif weer terug in de ark.
1Mo 8,11
De duif vloog weg om tegen de avond terug te keren met een olijfblad in haar snavel. Zo wist Noach dat het water bijna weg was.
1Mo 8,13
Op de eerste dag van de eerste maand in het jaar dat Noach zeshonderdeen werd, opende Noach de deur van de ark en zag dat het water zich had teruggetrokken.
1Mo 13,10
Lot keek goed om zich heen en zag het vruchtbare gebied langs de rivier de Jordaan, met overal genoeg water. Voordat de HERE Sodom en Gomorra vernietigde, leek het gebied tot Soar aan toe wel op de hof van Eden of het land Egypte.
1Mo 18,4
Ik zal dan water halen om uw voeten op te frissen en u wat eten geven, zodat u er weer tegen kunt.
1Mo 21,15
Toen het water op was, legde zij het kind onder een struik en ging zelf een eind verderop zitten.
1Mo 24,11
Hij stopte bij een waterput net buiten de stad en liet de kamelen neerknielen. Het was tegen de avond en de vrouwen van de stad zouden zo komen om water te putten.
1Mo 24,13
Ik sta hier bij de waterput en de vrouwen van de stad zullen zo water komen halen.
1Mo 24,16
haalde water. Zij was Rebekka, de dochter van Betuël, de zoon van Nachor en Milka.
1Mo 24,19
Toen zei ze: ‘Ik zal voor uw kamelen ook water putten, net zoveel tot ze genoeg hebben.’
1Mo 24,20
Ze leegde haar waterkruik in de drinkbak voor de kamelen en liep terug naar de put om meer water te halen. Dat deed ze net zo lang tot de kamelen genoeg hadden.
1Mo 24,32
De man ging met Laban mee naar huis en deze gaf hem stro en voer voor de kamelen en water, zodat de kamelendrijvers hun voeten konden wassen.
1Mo 24,43
ik sta hier bij de waterput. Ik zal tegen het eerste meisje dat water komt halen, zeggen: geef mij alstublieft wat te drinken!
1Mo 24,44
En dan zal zij antwoorden: natuurlijk! En ik zal ook water putten voor uw kamelen! Laat dat het meisje zijn dat U hebt uitgezocht voor de zoon van mijn meester.”
1Mo 24,45
Terwijl ik dit zei, kwam Rebekka eraan met haar waterkruik op haar schouder. Ze liep naar de put en liet de kruik zakken om water te halen. Ik zei tegen haar: “Mag ik wat water van u?”
1Mo 26,19
Zijn herders groeven nog een put in het dal van Gerar en stuitten op een bron die uitstekend water leverde.
1Mo 26,32
Diezelfde dag kwamen Isaaks dienaren hem vertellen dat zij water hadden gevonden in een nieuwe put.
1Mo 43,24
De broers werden het paleis binnengeleid en kregen water om hun voeten te wassen en de ezels werden gevoederd.
2Mo 2,10
Toen de jongen wat ouder was, bracht zijn moeder hem naar de prinses, die hem aannam als haar zoon. Zij noemde hem Mozes (Uitgetrokken) omdat zij hem uit het water had gehaald.
2Mo 2,16
kwamen zeven meisjes, dochters van de priester van Midjan, naar de bron om water te putten en de drinkbakken voor hun vaders schaapskudde bij te vullen.
2Mo 2,17
Maar andere herders joegen de meisjes bij de bron weg. Mozes kwam hen echter te hulp en zorgde dat de kudde water kreeg.
2Mo 2,19
‘Een Egyptenaar beschermde ons tegen de andere herders,’ zeiden de meisjes, ‘hij haalde water voor ons en gaf de kudde te drinken.’
2Mo 4,9
‘En als zij u na deze twee wonderen nog niet geloven, neem dan wat water uit de Nijl en gooi dat op de grond. Het zal veranderen in bloed.’
2Mo 7,17
want de HERE zegt tegen u: u zult merken dat Ik God ben. Mozes zal met zijn staf op het water van de Nijl slaan en dit zal veranderen in bloed.
2Mo 7,18
Alle vissen zullen sterven, zodat de hele rivier gaat stinken. Niemand zal het water uit de Nijl meer kunnen drinken.” ’
2Mo 7,19
Toen zei de HERE tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij zijn staf pakt en zijn arm uitstrekt over al het water van de Egyptenaren, over hun rivieren, hun kanalen, hun poelen en al hun waterreservoirs, zodat het verandert in bloed. Al het water in Egypte zal in bloed veranderen, ook het water dat in schalen of kruiken zit.’
2Mo 7,20
Mozes en Aäron deden wat de HERE had gezegd: Aäron strekte zijn arm uit en sloeg met zijn staf op het water van de Nijl, waar de farao en al zijn dienaren bij stonden. In een oogwenk veranderde het water in bloed!
2Mo 7,21
De vissen in de rivier stierven en verspreidden een vreselijke stank. De Egyptenaren konden het water uit de rivier niet meer drinken. Overal in het land was het water in bloed veranderd.
2Mo 7,24
De Egyptenaren moesten echter in de omgeving van de Nijl naar water graven, omdat het Nijlwater niet te drinken was.
2Mo 14,16
Strek uw staf uit boven het water en de zee zal zich splitsen, zodat u erdoorheen kunt trekken.
2Mo 14,21
Toen strekte Mozes zijn arm uit over de zee en de HERE liet een krachtige wind uit het oosten waaien, zodat het water wegvloeide en de bodem droog kwam te staan.
2Mo 14,22
Er ontstond een pad waarover de Israëlieten door de zee trokken. Links en rechts van hen rees het water op als een muur.
2Mo 14,26
Toen zei de HERE tegen Mozes: ‘Strek uw arm uit over de zee, zodat het water terugstroomt over de Egyptenaren en hun strijdwagens en ruiters.’
2Mo 14,27
Mozes strekte zijn arm uit en bij het aanbreken van de morgen stroomde het water weer terug in zijn normale bedding. De Egyptenaren probeerden te ontvluchten maar verdronken jammerlijk, allemaal.
2Mo 14,28
Het water bedekte het pad en de strijdwagens en ruiters. Niemand van het Egyptische leger overleefde het.
2Mo 15,8
De adem van uw neus stuwde wateren op en zij rezen op als muren langs ons pad. Het woelige water kwam midden in zee tot stilstand.
2Mo 15,19
De paarden, ruiters en wagens van de farao achtervolgden hen door de zee, maar de HERE liet de muren van water op hen vallen, terwijl het volk Israël over het droge pad ging.
2Mo 15,22
Toen liet Mozes de Israëlieten bij de Rietzee opbreken en zij trokken verder naar de woestijn Sur. Drie dagen lang trokken zij door die woestijn zonder water te vinden.
2Mo 15,23
Zij kwamen aan in Mara, maar konden het water daar niet drinken omdat het bitter was. Daarom noemden zij die plaats ook Mara (Bitter).
2Mo 15,24
Het volk keerde zich als één man tegen Mozes en zei: ‘Waar halen wij nu water vandaan?’
2Mo 15,25
Mozes vroeg hulp aan de HERE en de HERE wees hem een stuk hout aan, Mozes wierp het in het water en het werd zoet. Daar bij Mara legde de HERE een aantal regels aan het volk op om te zien hoever hun toewijding ging. Hij zei:
2Mo 15,27
Daarna kwamen zij in Elim, een plaats met twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Daar sloegen zij hun kamp op bij het water.
2Mo 17,1Water uit de rots
Volgens de opdracht van de HERE verliet het volk Israël de woestijn Sin en trok langs diverse pleisterplaatsen naar Refidim, waar zij hun kamp opsloegen. Daar was echter geen water te vinden!
2Mo 17,2
Opnieuw mopperde het volk en eiste van Mozes: ‘Geef ons water, zodat we kunnen drinken!’ ‘Waarom moppert u op mij?’ vroeg Mozes. ‘Wilt u soms de HERE op de proef stellen om te zien hoelang Hij geduld met u heeft?’
2Mo 17,6
Daar zal Ik u ontmoeten. Sla daar met uw staf op een rots—dezelfde staf waarmee u op het water van de Nijl hebt geslagen—en er zal water tevoorschijn komen, zodat zij kunnen drinken!’ Mozes deed wat de HERE had gezegd en het water golfde tevoorschijn!
2Mo 23,25
U zult alleen de HERE, uw God, vereren. Als u dat doet, zal Ik u zegenen met brood en water en de ziekten bij u wegnemen.
2Mo 30,17
De HERE zei tegen Mozes: ‘Maak een koperen wasvat met een voetstuk van koper. Zet het tussen de tabernakel en het altaar en vul het met water.
2Mo 32,20
Hij greep het kalf en smolt het in het vuur. Toen het goud was afgekoeld, vermaalde hij het tot poeder. Het goudpoeder gooide hij in het water en hij dwong de Israëlieten dit water te drinken.
2Mo 40,7
Zet het wasvat tussen de tabernakel en het altaar en vul het met water.
2Mo 40,12
Breng Aäron en zijn zonen bij de ingang van de tabernakel en was hen met water.
2Mo 40,30
Daarna plaatste hij het wasvat tussen de tent en het altaar en vulde het met water, zodat de priesters het konden gebruiken om zich te wassen.
3Mo 1,9
De ingewanden en de poten moeten eerst met water worden afgewassen en daarna ook op het vuur worden verbrand. Zo zal de priester alles in rook laten opgaan als een brandoffer, dat aangenaam is voor de HERE.
3Mo 1,13
De ingewanden en de poten moet hij eerst met water afwassen. Daarna zullen de priesters alles op het altaar verbranden als een brandoffer dat aangenaam is in de ogen van de HERE.
3Mo 6,28
De stenen pot waarin het vlees is gekookt, moet worden stukgeslagen. Als het vlees in een koperen pot is gekookt, moet die pot worden geschuurd en met water worden omgespoeld.
3Mo 8,6
Toen liet hij Aäron en zijn zonen naar voren komen en waste hen met water.
3Mo 8,21
Toen waste hij de ingewanden en de achterpoten met water af en verbrandde deze op het altaar. Zo ging de hele ram in rook op als een aangenaam brandoffer voor de HERE, precies volgens de aanwijzingen die de HERE Mozes had gegeven.
3Mo 11,32
Elk voorwerp waarop dat dode lichaam valt, elk houten of stoffen voorwerp, elk vel en elke zak, alles wat ermee in aanraking komt, moet in het water worden gelegd en zal tot de avond onrein zijn. Daarna mag het weer worden gebruikt.
3Mo 11,34
Als het water waarmee het onreine voorwerp is afgewassen, in aanraking komt met voedsel, is dat ook allemaal onrein. Elke drank die in de onreine pot zit, zal ook onrein zijn.
3Mo 11,36
Als het lichaam in een bron valt of in een volle waterbak, is dat water niet onrein. Degene die het lichaam eruit haalt, is echter wel onrein.
3Mo 15,11
Als de onreine man iemand aanraakt zonder eerst zijn handen met water te hebben afgespoeld, moet die persoon zijn kleren wassen en zich baden. Hij is tot de avond onrein.
3Mo 15,12
Elke aarden pot die de onreine man aanraakt, moet worden stukgeslagen en elk houten voorwerp moet na zijn aanraking met water worden afgespoeld.
3Mo 15,13
Als de zieke geneest en de vloeiing stopt, moet hij beginnen met een zevendaagse reinigingsceremonie door zijn kleren te wassen en zich in stromend water te baden.
4Mo 5,17
heilig water in een stenen vat doen en dat vermengen met stof van de vloer van de tabernakel.
4Mo 5,18
Hij zal haar haren losmaken en haar het spijsoffer van de jaloersheid in de handen geven om te bepalen of de vermoedens van haar man juist zijn. De priester zal voor haar gaan staan met het vat met bitter water dat een vloek brengt.
4Mo 5,19
Hij zal van haar eisen dat zij verklaart onschuldig te zijn en dan zal hij tegen haar zeggen: “Als geen andere man met u heeft geslapen dan uw eigen man, blijf dan vrij van de gevolgen van dit bittere water dat de vloek brengt.
4Mo 5,23
Dan zal de priester deze vervloekingen in een boek schrijven en ze afwassen in het bittere water.
4Mo 5,24
Als hij de vrouw het water laat drinken, wordt het bitter in haar lichaam (als zij schuldig is).
4Mo 5,26
Hij zal er een handvol van nemen—een deel voor het geheel—dat op het altaar verbranden en daarna de vrouw van het water laten drinken.
4Mo 5,27
Als zij is verontreinigd doordat zij overspel heeft gepleegd, zal het water in haar lichaam bitter worden, haar buik zal opzwellen en haar heup zal wegrotten. Zij zal een vloek onder haar volk zijn.
4Mo 8,7
Zij moeten zich reinigen: besprenkel hen met water dat hen ontzondigt. Laten zij vervolgens hun hele lichaam scheren, hun kleren wassen en zich baden.
4Mo 19,9
Dan zal iemand die niet onrein is, de as van de verbrande jonge koe verzamelen en die naar een reine plaats buiten het kamp brengen, waar het zal worden bewaard om voor het volk Israël het water te bereiden, dat nodig is bij de reinigingsceremonies voor de afwassing van zonden.
4Mo 19,12
moet zich op de derde dag reinigen met water waaraan de as van de jonge koe is toegevoegd, op de zevende dag zal hij dan rein zijn. Maar als hij dat niet doet op de derde dag, zal hij op de zevende dag nog steeds onrein zijn.
4Mo 19,17
Om weer rein te worden, moet as van de jonge koe die als zondoffer is verbrand, worden toegevoegd aan water uit een bron of rivier en in een ketel worden gedaan.
4Mo 19,18
Dan moet een rein iemand een bundel hysop nemen, die in de pot met water dopen en het water sprenkelen over de tent en over alle potten en pannen in de tent. Hij moet het ook sprenkelen op ieder die verontreinigd is door zijn aanwezigheid in de tent, door het aanraken van een bot, het aanraken van iemand die is gedood of gestorven of die een graf heeft aangeraakt.
4Mo 19,21
Dit is een eeuwige wet. De man die het water sprenkelt, moet daarna zijn kleren wassen, en iemand die het water aanraakt, zal tot de avond onrein zijn.
4Mo 20,8
‘Haal de staf en roep daarna het volk bijeen. Terwijl de mensen toekijken, moet u tegen die rots daar spreken en dan zal er genoeg water uit komen! U zult hun water geven uit een rots en er zal genoeg zijn voor alle mensen en hun vee!’
4Mo 20,10
Toen riepen Mozes en Aäron het volk bijeen bij de rots en Mozes zei tegen de menigte: ‘Luister, opstandelingen! Moeten wij voor jullie water uit deze rots laten komen?’
4Mo 20,11
Toen hief Mozes de staf op en sloeg tweemaal op de rots. Het water gutste eruit en de mensen en het vee konden drinken.
4Mo 20,13
Deze plaats werd Meriba (Water van Ruzie) genoemd, omdat de Israëlieten hier opstandig werden tegen de HERE en Hij Zich hier als de Heilige bewees.
4Mo 20,17
Laat ons alstublieft door uw land trekken. Wij zullen voorzichtig zijn en niet door uw akkers en wijngaarden trekken, wij zullen zelfs geen water uit uw bronnen gebruiken. Wij blijven op de hoofdweg en zullen die niet eerder verlaten dan wanneer wij uw landsgrens aan de andere kant zijn overgetrokken.’
4Mo 20,19
‘Maar koning,’ pleitten de boodschappers, ‘wij zullen op de hoofdweg blijven en zelfs geen water van u drinken of wij kopen het voor de prijs die u vraagt. Wij willen alleen door uw land trekken, verder niets.’
4Mo 20,24
‘Het is tijd voor Aäron om te sterven, want hij zal het land dat Ik het volk Israël heb gegeven, niet binnengaan. U beiden hebt mijn instructies betreffende het water van Meriba in de wind geslagen.
4Mo 21,16
Toen reisden de Israëlieten naar Beër. Hier is de put waar de HERE tegen Mozes zei: ‘Roep het volk bijeen, dan zal Ik het water geven.’
4Mo 21,17
Bij die gebeurtenis zong het volk dit lied: ‘Spring op, waterbron! Zing beurtelings van het water! Dit is een bron, gegraven door vorsten. De edelen van het volk boorden hem aan met hun scepter en hun leidersstaf.’ Toen verlieten zij de woestijn en trokken verder naar Mattana,
4Mo 21,22
‘Mogen wij door uw land trekken?’ vroegen zij hem. ‘Wij zullen de weg niet verlaten tot wij uw land weer uit zijn. Wij zullen uw akkers en wijngaarden niet beschadigen en niet van uw water drinken.’
4Mo 24,3
en hij sprak de volgende profetie uit: ‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man met het geopende oog. Ik heb geluisterd naar het Woord van God, ik heb gezien wat de Almachtige mij toonde. Ik viel voor Hem neer en mijn ogen gingen open. O, de vreugde die Israël wacht, de vreugde in de woningen van Jakob. Zij liggen voor mij als groene valleien, als vruchtbare tuinen aan een rivier, als aloëʼs door de HERE Zelf geplant, als ceders die aan het water staan. Zij zullen worden gezegend met een overvloed van water en op vele plaatsen wonen. Hun koning zal machtiger zijn dan Agag, hun koninkrijk zal worden verhoogd. God bracht hen uit Egypte. Israël is sterk als een wilde os en zal vijandige volken verslinden. Hij zal hun botten breken en hen met pijlen doorboren. Israël slaapt als een leeuw en een leeuwin, wie zal zijn rust durven verstoren? Gezegend is ieder die u zegent, Israël, vervloekt zijn zij die u vervloeken.’
4Mo 27,14
want u hebt mijn bevelen in de wind geslagen in de woestijn Sin. Toen de Israëlieten opstandig waren, hebt u Mij in hun ogen niet geheiligd door het water te bevelen uit de rots te komen.’ Hiermee doelde Hij op de gebeurtenissen bij Meriba in Kades, in de woestijn Sin.
4Mo 31,23
zal in het vuur worden gehouden om volgens de voorschriften van de wet te worden gereinigd. Daarna moet het worden gereinigd met reinigingswater. Maar alle voorwerpen die niet tegen vuur bestand zijn, zullen alleen met water worden gereinigd”.
5Mo 2,6
Betaal hun voor het water en voedsel dat u gebruikt.
5Mo 8,15
Pas ervoor op dat u de God, die u veilig door de grote en vreselijke woestijn met zijn giftige slangen en schorpioenen leidde, niet vergeet. Het was daar heet en droog, en toen gaf Hij u water uit een rots!
5Mo 12,16
Alleen het bloed van het vlees mag u niet eten, giet het als water uit op de grond.
5Mo 12,24
Het bloed moet als water op de grond worden uitgegoten. Als u dat alles doet, zal het goed gaan met u en uw kinderen.
5Mo 15,23
Alleen het bloed mag u niet eten, giet het als water uit op de grond.’