Het Boek
(784 Treffer)
2Mo 2,10
Toen de jongen wat ouder was, bracht zijn moeder hem naar de prinses, die hem aannam als haar zoon. Zij noemde hem Mozes (Uitgetrokken) omdat zij hem uit het water had gehaald.
2Mo 2,11
Jaren later, toen Mozes een man was geworden, kreeg hij aandacht voor de erbarmelijke omstandigheden waaronder zijn volk moest leven. Op een dag was hij er getuige van dat een Egyptenaar een Hebreeër sloeg.
2Mo 2,13
Een dag later kwam Mozes weer bij zijn Hebreeuwse broeders en zag twee mannen met elkaar vechten. ‘Waarom slaat u uw eigen broeder?’ vroeg hij de man die de aanleiding had gegeven.
2Mo 2,14
‘Waar bemoeit u zich mee,’ zei de man minachtend. ‘U denkt zeker dat u onze leider en rechter bent! Wilt u me soms doodslaan net zoals gisteren die Egyptenaar?’ Toen Mozes merkte dat zijn daad bekend was geworden, sloeg de angst hem om het hart.
2Mo 2,15
En terecht, want toen de farao ervan hoorde, gaf hij bevel Mozes te arresteren en terecht te stellen. Maar Mozes vluchtte naar het land Midjan. Toen hij daar was aangekomen en naast een bron zat uit te rusten,
2Mo 2,17
Maar andere herders joegen de meisjes bij de bron weg. Mozes kwam hen echter te hulp en zorgde dat de kudde water kreeg.
2Mo 2,21Mozes besloot de uitnodiging van Jetro om bij hen te blijven wonen, aan te nemen en Jetro gaf hem zijn dochter Sippora als vrouw.
2Mo 2,22
Sippora raakte in verwachting en kreeg een zoon, die zij Gersom (Vreemdeling) noemden. Want Mozes zei: ‘Ik ben een vreemdeling in een vreemd land.’
2Mo 3,1Gods opdracht aan MozesMozes was herder geworden over de schapen van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Op een dag was hij met de kudde aan de rand van de woestijn vlak bij de Horeb, de berg van God.
2Mo 3,2
Daar verscheen de Engel van de HERE aan hem als een vuurvlam, midden in een braamstruik. Toen Mozes zag dat de braamstruik wel vlam had gevat maar niet verbrandde,
2Mo 3,4
Toen de HERE dat zag, riep Hij: ‘Mozes, Mozes!’ ‘Hier ben ik,’ zei Mozes.
2Mo 3,6
Ik ben de God van uw voorouders. Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes hield zijn handen voor zijn ogen, want hij durfde niet naar God te kijken.
2Mo 3,11
‘Maar dat kan ik helemaal niet, daar ben ik helemaal niet geschikt voor,’ stamelde Mozes.
2Mo 3,13
Maar Mozes vroeg: ‘Als ik naar de Israëlieten ga en hun zeg dat de God van hun voorouders mij heeft gestuurd, zullen zij vragen: “Over welke God heb je het?” Wat moet ik dan antwoorden?’
2Mo 4,1Tekenen van Gods belofteMozes zei evenwel: ‘Zij zullen mij niet geloven! Ze zullen het niet doen en zeker niet als ík het zeg. Zij zullen zeggen: “De HERE is helemaal niet aan u verschenen!” ’
2Mo 4,2
‘Wat hebt u daar in uw hand?’ vroeg de HERE hem. ‘Een herdersstaf,’ antwoordde Mozes.
2Mo 4,3
‘Gooi hem eens op de grond,’ zei de HERE. Mozes gooide de staf neer, hij veranderde onmiddellijk in een slang en Mozes deed snel een stap terug.
2Mo 4,4
Toen zei de HERE: ‘Pak hem bij zijn staart!’ Mozes deed dat en plotseling werd het weer een herdersstaf!
2Mo 4,6
Steek nu uw hand tussen uw kleren ter hoogte van uw borst.’ Mozes deed het en toen hij de hand terugtrok, was die wit van de uitslag!
2Mo 4,7
‘Steek hem nu weer tussen uw kleren,’ zei God. Toen Mozes dat deed en de hand daarna weer terugtrok, was de uitslag verdwenen!
2Mo 4,10
Maar Mozes smeekte: ‘Och Here, ik ben helemaal geen goede spreker! Ik ben het nooit geweest en zal het ook nooit worden, ook niet nu U met mij gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden.’
2Mo 4,13
Maar Mozes wierp tegen: ‘Here, stuur toch alstublieft iemand anders!’
2Mo 4,18Mozes ging terug naar huis en besprak de zaak met zijn schoonvader Jetro. ‘Als u het goedvindt,’ zei Mozes, ‘ga ik terug naar Egypte om mijn familie te bezoeken. Ik weet niet eens of ze nog wel leven.’ ‘Ga in vrede,’ antwoordde Jetro.
2Mo 4,19
Voordat Mozes Midjan verliet, zei de HERE tegen hem: ‘Wees niet bang om naar Egypte terug te gaan, want allen die u wilden doden, zijn overleden.’
2Mo 4,20
Zo trok Mozes met zijn vrouw en zonen op ezels naar Egypte. De ‘staf van God’ hield hij stevig vast!
2Mo 4,24Mozes reisde verder met zijn gezin en toen hij op een avond stopte om te overnachten, verscheen de HERE hem en probeerde hem te doden.
2Mo 4,26
‘Ik heb je leven gered met het bloed van mijn zoon,’ zei zij. Toen liet de HERE Mozes met rust.
2Mo 4,27
Daarna zei de HERE tegen Aäron: ‘Ga Mozes in de woestijn tegemoet.’ Aäron reisde naar de berg Horeb, de berg van God, en ontmoette Mozes daar. Het was een gelukkig weerzien.
2Mo 4,28Mozes vertelde Aäron wat de HERE hem had opgedragen en wat zij moesten zeggen. Ook vertelde hij over de staf en de wonderen die zij voor de farao moesten doen.
2Mo 4,29
Zo gingen Mozes en Aäron samen terug naar Egypte en riepen de leiders van het volk Israël bijeen.
2Mo 4,30
Aäron vertelde hun wat de HERE tegen Mozes had gezegd en Mozes toonde hun de wonderen.
2Mo 5,1De onderdrukking wordt zwaarder
Daarna gingen Mozes en Aäron naar de farao. Zij zeiden tegen hem: ‘Wij brengen u een boodschap van de HERE, de God van Israël. Hij zegt u: “Laat mijn volk gaan om ter ere van Mij feest te vieren in de woestijn en Mij te aanbidden.” ’
2Mo 5,3
Maar Mozes en Aäron gaven het niet op. ‘De God van de Hebreeërs heeft met ons gesproken,’ zeiden zij. ‘Wij moeten drie dagreizen ver de woestijn in trekken en daar de HERE, onze God, offers brengen. Als wij Hem niet gehoorzamen, zal Hij ons doden met ziekten of geweld.’
2Mo 5,9
Laat ze maar zweten. Dan zullen zij het wel afleren te luisteren naar de leugens van Mozes en Aäron!’
2Mo 5,20
troffen zij Mozes en Aäron aan die op hen stonden te wachten.
2Mo 5,22
Toen ging Mozes terug naar de HERE en vroeg Hem: ‘HERE, waarom behandelt U uw eigen volk zo slecht? Waarom hebt U mij gestuurd als U hun dit wilde aandoen?
2Mo 6,1Gods belofte
De HERE antwoordde Mozes: ‘Nu zult u gaan zien wat Ik met de farao doe. Want hij zal worden gedwongen mijn volk te laten gaan en als Ik met hem klaar ben, zal hij hen niet alleen laten gaan. Nee, hij zal hen zelfs het land uit jagen!
2Mo 6,7
Ik zal hen brengen naar het land dat Ik Abraham, Isaak en Jakob al heb beloofd. Het zal hun toebehoren.’ Mozes vertelde het volk wat God had gezegd, maar zij wilden niet naar hem luisteren. De gevolgen van zijn eerdere uitspraken hadden hen totaal ontmoedigd.
2Mo 6,9
De HERE sprak opnieuw met Mozes en zei:
2Mo 6,11
‘Maar ziet U het dan niet?’ protesteerde Mozes. ‘Als het volk al niet naar mij wil luisteren, hoe kan ik dan verwachten dat de farao dat wel zal doen? Ik ben toch immers geen spreker!’
2Mo 6,12
Toen beval de HERE Mozes en Aäron opnieuw naar het volk Israël te gaan en ook naar de farao om te eisen dat hij het volk zou laten gaan.
2Mo 6,19
Amram trouwde met Jochebed, de zuster van zijn vader. Hun zonen heetten Aäron en Mozes. Amram stierf toen hij honderdzevenendertig jaar was.
2Mo 6,25
De Aäron en Mozes die in bovenstaande lijst voorkomen, zijn dezelfde Aäron en Mozes tegen wie God zei: ‘Leid het hele volk Israël uit het land Egypte weg.’
2Mo 6,29
En dit is dezelfde Mozes die tegen de HERE in ging en zei: ‘Ik kan het niet, ik ben geen spreker, waarom zou de farao naar mij luisteren?’
2Mo 7,1De eerste plagen
De HERE zei echter tegen Mozes: ‘Ik heb u aangewezen als mijn vertegenwoordiger bij de farao en Aäron zal uw woordvoerder zijn.
2Mo 7,6Mozes en Aäron voerden de opdrachten van de HERE uit.
2Mo 7,7Mozes was tachtig jaar en Aäron drieëntachtig jaar tijdens hun herhaalde bezoeken aan de farao.
2Mo 7,8
Toen zei de HERE tegen Mozes en Aäron:
2Mo 7,10
Zo gingen Mozes en Aäron opnieuw naar de farao en deden het wonder zoals de HERE hun had gezegd, Aäron gooide zijn staf voor de ogen van de farao en zijn hofhouding op de grond en deze werd een slang.
2Mo 7,14
De HERE zei tegen Mozes: ‘De farao blijft hardnekkig weigeren het volk te laten gaan.
2Mo 7,17
want de HERE zegt tegen u: u zult merken dat Ik God ben. Mozes zal met zijn staf op het water van de Nijl slaan en dit zal veranderen in bloed.
2Mo 7,19
Toen zei de HERE tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij zijn staf pakt en zijn arm uitstrekt over al het water van de Egyptenaren, over hun rivieren, hun kanalen, hun poelen en al hun waterreservoirs, zodat het verandert in bloed. Al het water in Egypte zal in bloed veranderen, ook het water dat in schalen of kruiken zit.’
2Mo 7,20Mozes en Aäron deden wat de HERE had gezegd: Aäron strekte zijn arm uit en sloeg met zijn staf op het water van de Nijl, waar de farao en al zijn dienaren bij stonden. In een oogwenk veranderde het water in bloed!
2Mo 8,1Overal kikkers, muggen en steekvliegen
Na die week zei God tegen Mozes: ‘Ga weer naar de farao en zeg tegen hem: “De HERE zegt: laat mijn volk gaan om Mij te dienen.
2Mo 8,8
De farao riep Mozes en Aäron bij zich en zei: ‘Bid tot uw God en vraag Hem of Hij de kikkers wil weghalen, dan zal ik uw volk laten gaan zodat zij kunnen offeren.’
2Mo 8,9Mozes zei: ‘U moet maar zeggen wanneer u wilt dat ik voor u zal bidden, opdat de kikkers zullen verdwijnen. Alleen in de Nijl zullen dan nog kikkers achterblijven.’
2Mo 8,10
De farao antwoordde: ‘Doe het morgen.’ En Mozes zei: ‘Zoals u wilt. U zult dan zien dat niemand gelijk is aan de HERE, onze God.
2Mo 8,12
Toen verlieten Mozes en Aäron het paleis van de farao en Mozes bad tot de HERE en vroeg Hem de kikkerplaag te beëindigen.
2Mo 8,16
De HERE zei toen tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij met zijn staf op het stof van de aarde slaat. Het stof zal veranderen in muggen, overal in Egypte.’
2Mo 8,17Mozes en Aäron voerden Gods opdracht uit. Aäron sloeg met zijn staf in het stof van de aarde. Opeens verschenen in heel Egypte grote hoeveelheden muggen, die op de Egyptenaren en hun dieren neerstreken. Al het stof veranderde in muggen.
2Mo 8,20
Toen zei de HERE tegen Mozes: ‘Sta vroeg op en klamp de farao aan wanneer hij naar de rivier gaat om te baden. Zeg tegen hem: “De HERE zegt: laat mijn volk gaan om Mij te dienen.
2Mo 8,25
De farao ontbood Mozes en Aäron opnieuw en zei: ‘Jullie kunnen je gang gaan. Jullie mogen in dit land offers brengen aan je God, dan hoeven jullie niet de woestijn in te trekken.’
2Mo 8,26
Maar Mozes antwoordde: ‘Dat kan niet. De Egyptenaren zullen er zeker aanstoot aan nemen als wij hier aan onze God offeren. Ze zouden ons stenigen!
2Mo 8,29
Toen zei Mozes: ‘Ik ga nu weg, ik zal de HERE bidden en Hem vragen of Hij de steekvliegen uit de huizen en het land wil weghalen. Morgen zullen er geen steekvliegen meer zijn. Maar pas op dat u niet weer liegt en het volk opnieuw verhindert de HERE een offer te brengen.’
2Mo 8,30
Daarop verliet Mozes de farao en bad tot de HERE.
2Mo 8,31
En de HERE deed wat Mozes tegen de farao had gezegd, de steekvliegen verlieten de farao, zijn dienaren en zijn onderdanen. Er bleef er niet één over.
2Mo 9,1Nog meer plagen
De HERE zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “De HERE, de God van de Hebreeërs, zegt: laat mijn volk gaan om Mij te dienen.
2Mo 9,8
De HERE zei toen tegen Mozes en Aäron: ‘Neem een handvol roet uit een smeltoven en laat Mozes dat in het bijzijn van de farao in de lucht gooien.
2Mo 9,10Mozes en Aäron namen roet uit een smeltoven en gingen voor de farao staan. Mozes gooide het roet in de lucht en plotseling verschenen bij alle mensen en dieren zweren, die later puisten werden.
2Mo 9,11
De geleerden konden niet bij Mozes blijven staan vanwege de zweren, die ook bij hen tevoorschijn kwamen.
2Mo 9,12
Maar de HERE verhardde het hart van de farao, zodat hij niet naar hen luisterde, precies zoals de HERE Mozes had voorzegd.
2Mo 9,13
Toen zei de HERE tegen Mozes: ‘Sta morgen vroeg op en zoek de farao op. Zeg tegen hem: “Zo zegt de HERE, de God van de Hebreeërs: laat mijn volk gaan om Mij te dienen.
2Mo 9,22
De HERE zei daarop tegen Mozes: ‘Strek uw hand uit naar de hemel, zodat in heel Egypte hagel valt, over alle mensen, dieren en planten in heel Egypte.’
2Mo 9,23
Toen stak Mozes zijn staf omhoog naar de hemel en de HERE liet het donderen en hagelen zoals het nog nooit had gehageld in Egypte!
2Mo 9,27
Toen liet de farao Mozes en Aäron komen en hij riep: ‘Ik weet dat ik deze keer heb gezondigd. Jullie God is rechtvaardig, ik en mijn volk zijn schuldig.
2Mo 9,29Mozes antwoordde: ‘Zodra ik buiten de stad ben, zal ik mijn armen naar de hemel opheffen en tot God bidden. Dan zullen de donder en de hagel ophouden, want de aarde is het eigendom van de HERE.
2Mo 9,33Mozes verliet de farao en ging de stad uit. Hij spreidde zijn handen uit naar de HERE en toen hielden de donderslagen en de hagel op. Er viel geen regen meer.
2Mo 9,35
Hardnekkig bleef hij weigeren het volk te laten gaan. Weer was het precies zoals de HERE Mozes had voorzegd.
2Mo 10,1Sprinkhanen en duisternis
De HERE zei tegen Mozes: ‘Ga weer naar de farao, want Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaren verhard. Op die manier zal Ik mijn tekenen aan hen laten zien.
2Mo 10,3Mozes en Aäron kwamen bij de farao en zeiden: ‘De HERE, de God van de Hebreeërs zegt: “Hoe lang zult u nog weigeren u aan Mij te onderwerpen? Laat mijn volk gaan om Mij te dienen.
2Mo 10,6
Uw paleis, de huizen van uw dienaren en alle andere Egyptische huizen zullen er vol mee zijn. Het zal een ongekend grote sprinkhanenplaag worden, zoals nog niemand ooit heeft meegemaakt”!’ Na die woorden draaide Mozes zich om en liep het paleis uit.
2Mo 10,8
Toen werden Mozes en Aäron bij de farao teruggeroepen en deze zei: ‘Goed, u kunt gaan om de HERE, uw God, te dienen. Maar wie gaan er allemaal mee?’ Mozes antwoordde:
2Mo 10,11
Nee, alleen de mannen mogen vertrekken, want dat was wat jullie vroegen.’ Na die woorden werden Mozes en Aäron het paleis uit gejaagd.
2Mo 10,12
Toen zei de HERE tegen Mozes: ‘Strek uw hand uit over Egypte en roep zo de sprinkhanen op. Zij zullen het land bedekken en alles opvreten wat de hagel heeft laten staan.’
2Mo 10,13
Toen strekte Mozes zijn staf uit over het land Egypte. De HERE liet de wind naar het oosten draaien en deze waaide een volle dag en nacht uit die richting.
2Mo 10,16
Haastig ontbood de farao Mozes en Aäron en hij zei: ‘Ik heb gezondigd tegen de HERE, uw God, en tegen u.
2Mo 10,18Mozes verliet de farao en bad tot de HERE.
2Mo 10,21
Daarna zei de HERE tegen Mozes: ‘Steek uw hand omhoog naar de hemel en er zal een volledige duisternis over Egypte komen.’
2Mo 10,22Mozes stak zijn hand uit naar de hemel en het werd aardedonker in het land, drie dagen lang!
2Mo 10,24
Ten slotte riep de farao Mozes bij zich en zei: ‘Ga maar en aanbid de HERE. Maar laat wel de runderen en het kleinvee achter, de kinderen mogen meegaan.’
2Mo 10,25
Dat weigerde Mozes: ‘Wij moeten al ons vee meenemen als offers voor onze HERE.
2Mo 10,28
De farao riep Mozes toe: ‘Verdwijn! Ik wil je niet meer zien! Als je het waagt hier nog eens te komen, zal ik je doden.’
2Mo 11,1De eerstgeborenen moeten sterven
‘Ik zal nog één plaag over de farao en Egypte laten gaan,’ had de HERE Mozes toevertrouwd. ‘Na die laatste plaag zal de farao het hele volk laten gaan. Hij zal het volk zelfs het land uit jagen.
2Mo 11,3
De HERE zorgde ervoor dat de Egyptenaren welwillend gestemd waren tegenover de Israëlieten. Mozes was een populair man in Egypte en werd hooggeacht door de dienaren van de farao en het Egyptische volk.
2Mo 11,4Mozes bracht de farao de volgende boodschap: ‘Dit zegt de HERE tegen u: “Om middernacht ga Ik dwars door Egypte.
2Mo 11,8
Al uw dienaren zullen naar mij toe komen, zich voor mij buigen en smeken: “Verlaat ons alstublieft en neem uw volk mee!” Dan zal ik ook echt gaan!’ Woedend liep Mozes het paleis uit.
2Mo 11,9
De HERE zei daarop tegen Mozes: ‘De farao zal niet naar u luisteren en dat geeft Mij de mogelijkheid door wonderen mijn kracht te laten zien.’
2Mo 11,10Mozes en Aäron deden al deze wonderen in het bijzijn van de farao, maar de HERE liet de farao koppig blijven, zodat hij de Israëlieten niet toestond het land te verlaten.
2Mo 12,1De instelling van Pesach
Voordat Mozes en Aäron voor de laatste keer naar de farao gingen, had de HERE tegen hen gezegd:
2Mo 12,21Mozes riep de leiders van Israël bijeen en zei tegen hen: ‘Haal voor elk gezin één lam of een bokje uit uw kudden en slacht dit.