Suche nach "babel" | Het Boek

Het Boek (266 Treffer)
1Mo 10,10 De basis van zijn koninkrijk waren de steden Babel, Uruk, Akkad en Kalne in het land Sinear. 1Mo 11,9 Daarom werd die stad Babel (Verwarring) genoemd. Dat was de plaats waar de HERE verwarring onder de mensen stichtte door hun verschillende talen te geven en over de hele aarde te verspreiden. 2Kön 17,24 De koning van Assyrië stuurde kolonisten uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm naar Israël en zij vestigden zich in de steden van Samaria in plaats van de Israëlieten. Zo namen de Assyriërs Samaria en de andere steden in Israël over. 2Kön 17,27 De koning van Assyrië beval dat een van de verbannen priesters naar Israël moest teruggaan om hen de wetten van de God van het land te leren. Zo keerde een van hen terug naar Betel en leerde de kolonisten uit Babel hoe zij de HERE met ontzag moesten dienen. 2Kön 17,30 Zij die uit Babel kwamen, aanbaden beelden van hun god Sukkot-Benot, degenen uit Kuta aanbaden hun god Nergal en de mensen uit Hamat vereerden Asima. 2Kön 20,12 Korte tijd later stuurde Berodach-Baladan, de zoon van koning Baladan van Babel, gezanten met geschenken en groeten naar Hizkia. Hij had gehoord dat hij ziek was. 2Kön 20,14 Daarop ging Jesaja naar koning Hizkia en vroeg hem: ‘Wat willen deze mannen? Waar komen zij vandaan?’ ‘Uit het verre Babel,’ antwoordde Hizkia. 2Kön 20,17 “Er zal een tijd komen dat alles in dit paleis naar Babel wordt meegenomen. Alle schatten van uw voorouders zullen worden weggebracht en niets zal worden achtergelaten. 2Kön 20,18 Enkelen van uw nakomelingen zullen worden meegenomen en als hofpersoneel dienen in het paleis van de koning van Babel.” ’ 2Kön 24,1 Juda door Babel veroverd Tijdens de regering van koning Jojakim viel koning Nebukadnessar van Babel Jeruzalem aan. Jojakim werd overwonnen en diende Nebukadnessar drie jaar, maar kwam toen in opstand. 2Kön 24,7 De Egyptische farao liet zich na die tijd buiten zijn grenzen nooit meer zien, want de koning van Babel had het hele gebied veroverd dat Egypte had toebehoord, van de Nijl tot aan de Eufraat. 2Kön 24,10 Tijdens zijn regering belegerden de troepen van koning Nebukadnessar van Babel de stad Jeruzalem. 2Kön 24,13 De Babyloniërs haalden alle schatten uit de tempel en het koninklijk paleis en namen alles mee naar Babel. Ook al het goud dat koning Salomo op bevel van de HERE in de tempel had aangebracht, haalden zij weg. 2Kön 24,15 Nebukadnessar nam koning Jojachin, zijn vrouwen en dienaren en de koningin-moeder mee naar Babel. 2Kön 24,20 Zo gebeurde het door de toorn van de HERE dat de inwoners van Jeruzalem en het land Juda werden weggevoerd. Koning Sedekia kwam echter in opstand tegen de koning van Babel. 2Kön 25,6 Hij werd naar Ribla gebracht, waar de koning van Babel hem verhoorde en daarna veroordeelde. 2Kön 25,7 Hij werd gedwongen toe te kijken hoe zijn zonen voor zijn ogen werden afgeslacht, daarna werden zijn ogen uitgestoken, kreeg hij koperen boeien om en werd weggevoerd naar Babel. 2Kön 25,8 Nebuzaradan, het hoofd van de koninklijke lijfwacht, kwam op de zevende dag van de vijfde maand van het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar vanuit Babel in Jeruzalem aan. 2Kön 25,11 De overgebleven inwoners van de stad en de Joodse overlopers, die de koning van Babel trouw hadden gezworen, werden als ballingen naar Babel meegevoerd. 2Kön 25,13 De Babyloniërs sloopten de koperen pilaren van de tempel en het grote koperen vat met de bijbehorende kleinere vaten en namen al het koper mee naar Babel. 2Kön 25,18 Ook nam Nebuzaradan de opperpriester Seraja, zijn helper Zefanja en drie tempelwachters als gevangenen mee naar Babel. 2Kön 25,20 werden door generaal Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla gebracht, waar de koning van Babel verbleef. 2Kön 25,27 Koning Jojachin werd uit de gevangenis vrijgelaten op de zevenentwintigste dag van de laatste maand van het zevenendertigste jaar van zijn gevangenschap. Dat gebeurde in het eerste regeringsjaar van koning Ewil-Merodach van Babel. 2Kön 25,28 Hij behandelde Jojachin goed en zelfs beter dan alle andere koningen die in Babel gevangenzaten. 1Chr 9,1 Terugkeer uit Babel De stamboom van iedereen in Israël werd zorgvuldig vastgelegd in de Boeken van de Koningen van Israël. Juda was verbannen naar Babel, omdat de mensen God ontrouw waren en afgoden vereerden. 2Chr 32,31 Toen echter afgevaardigden uit Babel arriveerden om met eigen ogen het wonder van zijn welvaart te zien, liet God hem zijn eigen gang gaan om hem op de proef te stellen en erachter te komen hoe hij werkelijk was. 2Chr 33,11 Daarom stuurde God het Assyrische leger, dat hen gevangennam en naar Babel wegvoerde. 2Chr 36,6 Ten slotte veroverde koning Nebukadnessar van Babel Jeruzalem en voerde de koning in ketens geboeid naar Babel. 2Chr 36,7 Nebukadnessar haalde voorwerpen uit de tempel en gaf die een plaats in zijn eigen tempel in Babel. 2Chr 36,10 Rond de jaarwisseling liet koning Nebukadnessar hem naar Babel komen. Tegelijkertijd werden de kostbaarste voorwerpen vanuit de tempel naar Babel meegenomen en koning Nebukadnessar benoemde Jojachins broer Sedekia tot nieuwe koning van Juda en Jeruzalem. 2Chr 36,17 De HERE stuurde daarom de koning van Babel op hen af die hun jongemannen doodde en hen zelfs tot in de tempel achtervolgde. Hij kende geen medelijden en doodde zelfs de jonge meisjes en de oude mannen. De HERE gebruikte de koning van Babel om hen volledig weg te vagen. 2Chr 36,18 Bij zijn terugtocht nam de koning van Babel alle grote en kleine voorwerpen en alle kostbaarheden uit de tempel, uit het paleis en uit de huizen van alle medewerkers van de koning mee. 2Chr 36,20 De overlevenden werden als slaven voor de koning en zijn zonen naar Babel gebracht. Die situatie bleef zo tot het koninkrijk Perzië erin slaagde de macht te veroveren. Esr 1,11 In totaal vijfduizendvierhonderd gouden en zilveren voorwerpen werden Sesbassar overhandigd. Hij moest ervoor zorgen dat alles van Babel naar Jeruzalem werd gebracht bij de terugkeer van de ballingen. Esr 2,1 De ballingen die terugkeerden uit Babel Hier volgt een lijst van Joodse ballingen, die teruggingen naar Jeruzalem en de andere steden in Juda. Hun ouders waren door koning Nebukadnessar naar Babel gedeporteerd. Esr 4,12 Majesteit, zoals u weet zijn de Judeeërs uit Babel naar Jeruzalem teruggekeerd. Op dit moment zijn zij bezig met de herbouw van deze vanouds oproerige en opstandige stad. De stadsmuren naderen hun voltooiing en de fundamenten van de tempel zijn gelegd. Esr 5,12 Maar onze voorouders hadden de God van de hemel toornig gemaakt. Daarom leverde Hij hen over aan de macht van koning Nebukadnessar van Babel. Die heeft de tempel verwoest en ons volk in ballingschap naar Babel weggevoerd. Esr 5,14 Bovendien gaf hij de zilveren en gouden voorwerpen terug die Nebukadnessar uit de tempel in Jeruzalem had weggehaald. Nebukadnessar had die neergezet in de tempel in Babel, maar Cyrus heeft ze daarvandaan laten halen. Hij heeft al deze voorwerpen overhandigd aan een zekere Sesbassar, die hij tot gouverneur van Juda had benoemd. Esr 5,17 Welnu, Majesteit, wij adviseren u in de koninklijke archieven in Babel te laten nagaan of Cyrus werkelijk bevel heeft gegeven tot herbouw van die tempel. Laat ons daarna alstublieft horen welke beslissing u hierover neemt.’ Esr 6,1 De bouw van de tempel voortgezet Koning Darius liet inderdaad een onderzoek instellen naar deze zaak in de archieven van Babel. Daar bewaarde men officiële documenten. Esr 6,5 De gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit de tempel in Jeruzalem heeft meegenomen en naar Babel heeft gebracht, zullen worden teruggebracht naar Jeruzalem. Zij zullen weer, als vroeger, een plaats krijgen in de tempel.’ Esr 7,1 Ezra krijgt toestemming terug te keren naar Jeruzalem Hier volgt de stamboom van Ezra, de man die van Babel naar Jeruzalem trok tijdens de regering van koning Artaxerxes van Perzië: Ezra was de zoon van Seraja, Seraja was de zoon van Azarja, Azarja was de zoon van Chilkia, Chilkia was de zoon van Sallum, Sallum was de zoon van Sadok, Sadok was de zoon van Achitub, Achitub was de zoon van Amarja, Amarja was de zoon van Azarja, Azarja was de zoon van Merajot, Merajot was de zoon van Uzzi, Uzzi was de zoon van Bukki, Bukki was de zoon van Abisua, Abisua was de zoon van Pinechas, Pinechas was de zoon van Eleazar en Eleazar was de zoon van de hogepriester Aäron. Esr 7,7 Een aantal gewone mensen en priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempelknechten gingen mee. Zij verlieten Babel op de eerste dag van de eerste maand van koning Artaxerxesʼ zevende regeringsjaar. Op de eerste van de vijfde maand van datzelfde jaar arriveerden zij in Jeruzalem, want God had hun een voorspoedige reis gegeven. Esr 7,16 U moet ook het zilver en goud meenemen dat u in het gewest Babel kunt inzamelen, en verder de vrijwillige giften die uw landgenoten en de priesters hebben geschonken voor de tempel van hun God in Jeruzalem. Esr 8,1 De terugkeer van Ezra naar Jeruzalem Hier volgen, met vermelding van hun afkomst, de namen van de familiehoofden die met mij van Babel naar Jeruzalem gingen tijdens de regering van koning Artaxerxes: Neh 7,6 Hier volgt een lijst met namen van Judese ballingen die terugkeerden naar Jeruzalem en de andere steden in Juda. Hun ouders waren door koning Nebukadnessar naar Babel gedeporteerd. Neh 13,6 Toen Eljasib dat deed, was ik niet in Jeruzalem, maar in Babel. In het tweeëndertigste regeringsjaar van koning Artaxerxes was ik namelijk teruggekeerd. Later kreeg ik opnieuw toestemming naar Jeruzalem te reizen. Est 2,6 Bij de verwoesting van Jeruzalem was hij gevangengenomen. Samen met koning Jechonja van Juda en vele anderen was hij door koning Nebukadnessar in ballingschap weggevoerd naar Babel. Ps 87,4 Wanneer Ik de namen noem van Egypte, Babel, Filistea, Tyrus of zelfs van Ethiopië, is er altijd wel iemand die daar geboren is. Ps 137,1 Wij zaten aan de rivier in de stad Babel en huilden toen wij aan Jeruzalem dachten. Ps 137,8 Volk van Babel, binnenkort zal uw eigen land worden verwoest. Wij prijzen hen die vergelding zullen uitoefenen over wat u ons hebt aangedaan. Jes 11,11 In die tijd zal de Here voor de tweede keer een restant van zijn volk terugbrengen naar het land Israël. Zij zullen komen vanuit Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Babel, Hamat en uit alle verafgelegen kustlanden. Jes 13,1 De dagen van Babel zijn geteld Dit is de profetie die God aan Jesaja, de zoon van Amos, over Babel gaf. Jes 13,2 ‘Laat de vlaggen en de vaandels wapperen als de vijand tot de aanval overgaat. Roep naar hen, Israël, en geef een teken wanneer zij optrekken tegen Babel om de paleizen van de rijken en de machthebbers te vernietigen. Jes 13,5 Zij zijn de wapens die zijn hand tegen u, o Babel, hanteert. Zij dragen zijn toorn met zich mee en zullen uw hele land met de grond gelijkmaken. Jes 13,14 De legers van Babel zullen vluchten totdat zij uitgeput zijn. Zij trekken terug naar hun eigen land als een hert dat wordt achtervolgd door honden. Zij dwalen rond als schapen die alleen zijn gelaten door hun herder. Jes 13,17 Want Ik zal de Meden tegen Babel opzetten en geen enkel bedrag in zilver of goud zal hen kunnen afkopen. Jes 13,18 De aanvallende legers zullen geen medelijden hebben met de jonge mensen van Babel, met babyʼs of met kinderen.’ Jes 13,19 Zo zal Babel, het luisterrijkste van alle koninkrijken, de bloem van de Chaldese cultuur, net zo volledig worden verwoest als Sodom en Gomorra, toen de HERE vuur uit de hemel stuurde. Jes 13,20 Babel zal voor eeuwig worden vernietigd. Generatie na generatie zal voorbijgaan, maar het land zal nooit meer worden bewoond. De nomaden zullen er zelfs geen kamp opslaan. En de herders zullen hun schapen er niet laten overnachten. Jes 13,22 Hyenaʼs en jakhalzen zullen in de paleizen rondlopen. De dagen van Babel zijn geteld, de dag van de verwoesting is nabij. Jes 14,4 zult u spottend tegen de koning van Babel zeggen: ‘Tiran, eindelijk krijgt u uw verdiende loon! Jes 14,23 Ik zal van Babel een verlaten land maken, waar roerdompen zich thuisvoelen in de poelen en de moerassen. Ik zal het land schoonvegen met de bezem van de vernietiging,’ zegt de HERE van de hemelse legers. Jes 21,1 Gods profetie over Babel Dit is Gods profetie over Babel. Het onheil komt als een stormwind over u heen vanuit de angstaanjagende woestijn, als een wervelwind uit de Negevwoestijn. Jes 21,2 Ik zie een dreigend visioen, het is vreselijk om te zien! God vertelt mij wat Hij gaat doen. Ik zie u, geplunderd en vernietigd. Elamieten en Meden zullen deelhebben aan de overwinning. Babel zal vallen en het gekerm van de volken die het onderdrukte, zal ophouden. Jes 21,8 En ik zette een uitkijk op de muur en uiteindelijk schreeuwde hij: ‘Heer, ik heb dag en nacht op wacht gestaan! En nu eindelijk, kijk! Daar komen zij die twee aan twee rijden!’ Toen hoorde ik een stem die riep: ‘Babel is gevallen en alle afgoden van Babel liggen gebroken op de grond.’ Jes 39,1 De afgezanten uit Babel Korte tijd later stuurde Merodach-Baladan, de zoon van Baladan en koning van Babel, Hizkia een geschenk en zijn beste wensen, want hij had gehoord dat Hizkia van een zware ziekte was genezen. Jes 39,2 Hizkia stelde dit gebaar erg op prijs en leidde de afgezanten uit Babel rond in het paleis. Hij liet hen zijn schatkamers zien, die gevuld waren met zilver, goud, specerijen en parfums. Ook zijn wapenvoorraad en al zijn andere schatten liet hij zien. Jes 39,3 Toen kwam de profeet Jesaja bij de koning en vroeg: ‘Wat hebben die mannen gezegd? Waar komen zij vandaan?’ ‘Zij komen uit het verre Babel,’ gaf Hizkia als antwoord. Jes 39,6 “Er komt een tijd dat alles wat u hebt, alle schatten die uw voorouders hebben verzameld, naar Babel zal worden weggevoerd. Niets zal er overblijven. Jes 39,7 Ook enkele van uw eigen zonen zullen worden weggevoerd om dienst te doen in het paleis van de koning van Babel.” ’ Jes 43,14 De HERE, uw verlosser, de Heilige van Israël, zegt: ter wille van u zal Ik een leger ten strijde laten trekken tegen Babel dat het land vrijwel ongedeerd zal binnenvallen. De grootspraak van de Babyloniërs zal veranderen in angstkreten. Jes 46,1 De afgodsbeelden van Babel De afgodsbeelden van Babel, Bel en Nebo, worden op wagens weggevoerd! Jes 47,1 Profetie over Babel ‘Och onoverwinnelijk Babel, kom in het stof zitten. Uw dagen van glorie, luister en hoog aanzien zijn voorbij. O dochter van de Chaldeeën, u zult nooit meer een lieflijke prinses zijn, teer en wondermooi. Jes 47,4 Dat zegt onze verlosser, die Israël uit de macht van Babel zal redden, HERE van de hemelse legers is zijn naam, de Heilige van Israël. Jes 47,5 ‘Zit stil in de duisternis, Babel, u zult nooit meer De koningin onder de koninkrijken worden genoemd. Jes 48,20 Verlaat Babel zingend en roep de einden van de aarde toe dat de HERE zijn dienaren, het volk van Jakob, heeft verlost. Jes 52,11 Ga uit, ga daar weg, raak het onreine niet aan. Laat Babel en alles wat het belichaamt, ver achter u. Het is onrein voor u. U bent het heilige volk van de HERE, reinig uzelf, allen die vaten van de HERE naar zijn huis dragen. Jer 20,4 Want de HERE zal onder u en uw vrienden paniek zaaien en u zult hen zien sterven door het zwaard van hun vijand. “Ik zal Juda uitleveren aan de koning van Babel,” zegt de HERE, “en hij zal de mensen als slaven wegvoeren naar Babel of hen doden met het zwaard. Jer 20,5 Ik zal uw vijanden Jeruzalem laten plunderen. Alle waardevolle bezittingen van de stad, ook de kostbare juwelen en het goud en zilver van uw koningen zullen naar Babel worden meegenomen. Jer 20,6 En u, Paschur, u en uw hele gezin zullen slaven worden in Babel en daar sterven, u en ook alle mensen tegen wie u gelogen hebt, toen u profeteerde dat alles in orde zou komen.” ’ Jer 21,1 Het verzoek van de koning afgewezen De HERE sprak tegen Jeremia toen koning Sedekia Paschur, de zoon van Malkia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar Jeremia stuurde en smeekte: ‘Vraag de HERE ons te helpen, want koning Nebukadnessar van Babel valt ons aan! Misschien wil de HERE ons genadig zijn en een machtig wonder doen, zoals Hij vroeger deed, zodat Nebukadnessar zijn troepen moet terugtrekken.’ Jer 21,3 Jeremia antwoordde: ‘Ga terug naar koning Sedekia en zeg hem dat de HERE God van Israël zegt: “Al uw wapens zal Ik tegen u gebruiken in de strijd tegen de koning van Babel en de Chaldeeën die u belegeren. Ik zal de vijand massaal tot in het hart van deze stad laten doordringen. Jer 21,7 En uiteindelijk zal Ik koning Sedekia, zijn hofhouding en alle in de stad overgebleven inwoners overgeven aan koning Nebukadnessar van Babel. Hij zal hen zonder genade afslachten.” Jer 21,10 Want Ik heb Mij tegen deze stad gekeerd, Ik zal haar vijand en niet meer haar vriend zijn,” zegt de HERE. “De koning van Babel zal de stad innemen en haar volledig in de as leggen.” ’ Jer 24,1 Het visioen van de vijgen Nadat koning Nebukadnessar van Babel koning Jechonja van Juda, de zoon van Jojakim, gevangengenomen en tot slaaf gemaakt had en hem samen met de bewindslieden van Juda, de smeden en andere vaklui verbannen had naar Babel, gaf de HERE mij het volgende visioen. Ik zag twee manden met vijgen voor de tempel in Jeruzalem staan. Jer 24,4 Daarna zei de HERE: ‘De goede vijgen staan voor de bannelingen uit Juda die naar Babel zijn gestuurd. Jer 25,1 De brandende toorn van de Here Deze boodschap van de HERE aan Jeremia, bestemd voor het hele volk van Juda, kreeg hij tijdens het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia. In datzelfde jaar kwam in Babel koning Nebukadnessar aan de macht. Jer 25,9 zal Ik alle legers van het noorden verzamelen en ten strijde laten trekken tegen dit land en zijn inwoners. Zij staan onder bevel van koning Nebukadnessar van Babel, die Ik heb aangewezen als mijn helper. Ook de landen rondom u zal Ik totaal verwoesten en voor anderen tot een aanfluiting en een afschrikwekkend voorbeeld maken. Jer 25,11 Dit hele land zal een verlaten wildernis worden. Israël en haar buurlanden zullen zeventig jaar lang onderworpen zijn aan de koning van Babel. Jer 25,12 Daarna, wanneer de zeventig jaar van slavernij voorbij zijn, zal Ik de koning van Babel en zijn volk voor hun zonden straffen, Ik zal het land van de Chaldeeën voor altijd in een woestenij veranderen. Jer 25,26 en alle koningen van de noordelijke landen, dichtbij en veraf, de één na de ander: alle koninkrijken van de wereld. En ten slotte dronk ook de koning van Babel zelf uit deze beker, gevuld met Gods toorn. Jer 27,6 Zo ga Ik nu al uw landen geven aan mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babel. Ik zal hem zelfs laten heersen over de wilde dieren. Jer 27,7 Alle volken zullen hem, zijn zoon en zijn kleinzoon dienen, totdat zijn tijd om is. Dan zullen vele volken en grote koningen Babel veroveren en het tot hun slaaf maken. Jer 27,9 Luister niet naar uw valse profeten, waarzeggers, dromers en tovenaars, die zeggen dat de koning van Babel u niet tot slaven zal maken. Jer 27,10 Het zijn allemaal leugenaars. Als u hun raad opvolgt en weigert u te onderwerpen aan de koning van Babel, zal Ik u uit uw land jagen en naar een ver land sturen om daar te sterven. Jer 27,11 Maar de bewoners van de landen die zich aan de koning van Babel onderwerpen, zullen in hun eigen land mogen blijven en hun land net als altijd mogen bebouwen.” ’ Jer 27,12 Jeremia herhaalde al deze profetieën voor koning Sedekia van Juda. ‘Als u in leven wilt blijven, moet u zich onderwerpen aan de koning van Babel,’ zei hij. Jer 27,13 ‘Waarom zouden u en uw volk sterven? Waarom zou u kiezen voor oorlog, hongersnood en ziekten die de HERE heeft aangekondigd voor elk land dat weigert zich te onderwerpen aan de koning van Babel? Jer 27,14 Luister niet naar de valse profeten die volhouden dat de koning van Babel u niet zal overwinnen, want zij zijn leugenaars.
Weitere Ergebnisse laden ...