Help

Het Boek

1 Wij zaten aan de rivier in de stad Babel en huilden toen wij aan Jeruzalem dachten.
2 Onze citers hadden wij daar aan de takken van een wilg gehangen,
3 omdat onze bewakers wilden dat wij zouden zingen. Ondanks dat zij ons sloegen, wilden zij een vrolijk lied horen. "Vooruit", zeiden zij, "zing eens een lied over Jeruzalem!"
4 Maar hoe kunnen wij nu in een vreemd land een lied voor de HERE zingen?
5 Mijn rechterhand mag verlamd raken, als ik Jeruzalem zou vergeten!
6 Als ik Jeruzalem niet zou bezingen als de mooiste en hoogste stad, zou mijn tong krachteloos in mijn mond mogen liggen.
7 Neem wraak, HERE, op de Edomieten die Jeruzalem hebben verwoest. Zij zeiden tegen elkaar: "Wij breken die stad tot op de bodem af!"
8 Volk van Babel, binnenkort zal uw eigen land worden verwoest. Wij prijzen hen die vergelding zullen uitoefenen over wat u ons hebt aangedaan.
9 Wij prijzen de man, die nu Lw kinderen tegen de rotsen te pletter zal gooien.
© 2018 ERF Medien