Schließen
BibleServer is a donation based project by ERF Medien. 25 € will help us to secure next years funding.
Help

Het Boek

1-2  Enige tijd later maakte Hij een reis langs alle steden en dorpen in dat gebied. Overal bracht Hij het goede nieuws dat het Koninkrijk van God was gekomen. Zijn twaalf discipelen en verscheidene vrouwen gingen met Hem mee. De vrouwen zorgden voor hun eten en drinken en betaalden dat allemaal uit eigen zak. Jezus had deze vrouwen uit de macht van boze geesten bevrijd en van allerlei ziekten genezen.
3 Onder hen waren Maria van Magdala (uit wie hij zeven boze geesten had weggejaagd), Johanna (de vrouw van Chuzas, die een belangrijke funktie had in de regering van Herodes) en Suzanna.
4 Op een dag, toen uit verschillende steden mensen waren samengestroomd om Hem te horen, vertelde Hij deze gelijkenis:
5 "Een boer ging naar zijn land om graan te zaaien. Bij het uitstrooien viel wat zaad op een pad, waar het werd vertrapt. De vogels kwamen het oppikken.
6 Er viel ook zaad op ondiepe grond met harde rotsbodem eronder. Het kwam wel op, maar verdorde ook weer vlug omdat het te weinig vocht kreeg.
7 Ander zaad kwam tussen de distels terecht.
8 Het verstikte daar omdat de distels veel sneller groeiden. Het overige zaad viel op vruchtbare grond. Het kwam mooi op en gaf een rijke oogst, wel honderd keer zoveel als was gezaaid." Hij wilde dat de mensen goed zouden luisteren en zei: "Als u oren hebt, luister dan goed."
9 Zijn discipelen vroegen wat Hij met de gelijkenis bedoelde.
10 Hij antwoordde: "Jullie hebben het voorrecht te weten waar het in Gods koninkrijk eigenlijk om gaat. De anderen mensen horen de gelijkenissen wel, maar begrijpen er niets van. Dat is trouwens ook de bedoeling.
11 Nu, dit is de betekenis ervan: Het zaad is het woord van God voor de mensen.
12 Het harde pad waarop een deel van het zaad viel, zijn de mensen bij wie de woorden van God het ene oor ingaan en het andere weer uit. De duivel neemt die woorden weg, omdat hij niet wil dat de mensen erin geloven en daardoor worden gered.
13 De ondiepe grond met de rotsbodem eronder, zijn de mensen die de woorden van God horen en met grote blijdschap aannemen. Maar zij zijn oppervlakkig. Een poosje geloven zij wat God heeft gezegd maar als het erop aankomt, moeten zij er niets meer van hebben.
14 Dan de grond met de distels erop: Dat zijn de mensen die de woorden van God horen en geloven. Maar door de zorgen, de overvloed en allerlei genoegens van het leven krijgen die woorden niet de kans in hen iets goeds te bewerken.
15 De goede, vruchtbare grond zijn de mensen die met een goed, oprecht hart naar de woorden van God luisteren. Zij houden zich eraan, doen er iets mee en verslappen niet.
16 Als men een lamp aansteekt, wordt er toch niet iets overheen gezet om het licht te verbergen? Nee, men zet de lamp ergens neer waar iedereen die binnenkomt, hem goed kan zien.
17 Zo zal ook alles wat geheim of verborgen is, aan het licht komen.
18 Het hangt er dus van af hoe u luistert. Want wie iets van God heeft ontvangen, zal er veel bij krijgen. Maar wie niets van God heeft gekregen, zal ook nog kwijtraken wat hij meent te hebben."
19 Zijn moeder en Zijn broers kwamen Hem opzoeken, maar zij konden niet bij Hem komen omdat het huis overvol was.
20 Toen Hij hoorde dat zij buiten stonden te wachten en Hem wilden spreken, zei Hij:
21 "Mijn moeder en mijn broers zijn zij die de woorden van God horen en in praktijk brengen."
22 Op een dag stapte Hij met Zijn discipelen in een boot en zei: "Kom, wij gaan naar de overkant van het meer."
23 Tijdens de overtocht viel Hij in slaap. Plotseling stak een vreselijke storm op. De golven werden zo woest dat het water de boot insloeg. Het werd heel gevaarlijk.
24 De discipelen maakten Jezus wakker. "Meester! Meester", schreeuwden zij, "wij vergaan!" Jezus bestrafte de wind en het woeste water en onmiddellijk werd het bladstil.
25 "Waar is jullie geloof?" vroeg Hij Zijn discipelen. Zij keken Jezus bang aan. Vol ontzag en verbazing zeiden zij tegen elkaar: "Wat voor man is Hij? Zelfs de wind en het water doen wat Hij zegt!"
26 Zij voeren verder en legden aan in het gebied van de Gerasénen, aan de overkant van het meer van Galilea.
27 Toen Hij uit de boot stapte, kwam uit de stad een man op Hem af, die een boze geest in zich had. Hij liep al een hele tijd zonder kleren rond en woonde niet in een huis, maar in de rotsgraven.
28 Zodra hij Jezus van dichtbij zag, schreeuwde hij het uit en viel voor Hem neer. "Wat wilt U van mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God!" schreeuwde hij.
29 "Doe mij alstublieft geen pijn!" Jezus had namelijk tegen de boze geest gezegd dat hij uit de man moest weggaan. De boze geest had zich vaak van de man meester gemaakt. Dan was hij niet meer te houden, rukte zijn boeien stuk en rende de woestijn in, volledig in de macht van de boze geest.
30 "Hoe heet je?" vroeg Jezus aan de boze geest. "Legioen", was het antwoord. Want de man zat vol boze geesten.
31 Zij smeekten Jezus dat Hij hen niet naar de hel zou sturen.
32 Niet ver daar vandaan liep op een berghelling een kudde varkens eten te zoeken. De boze geesten smeekten Jezus of ze in die varkens mochten gaan en Hij vond dat goed.
33 Zij verlieten de man en gingen in de varkens. De hele kudde stormde de helling af, het meer in en verdronk.
34 De varkenshoeders sloegen op de vlucht en vertelden in stad en land wat er was gebeurd.
35 Het duurde niet lang of er kwamen van alle kanten mensen aanlopen om het met eigen ogen te zien. Zij zagen de man, die van de boze geesten bevrijd was, aan de voeten van Jezus zitten. Hij had kleren aan en was volledig bij zijn verstand.
36 Zij werden bang. Degenen die het hadden zien gebeuren, vertelden hoe de man was genezen.
37 De mensen vroegen Jezus weg te gaan en hen met rust te laten. Dus ging Hij weer in de boot en voer terug naar de overkant van het meer.
38 De man uit wie de boze geesten waren weggegaan, smeekte of hij mee mocht. Maar Jezus wilde dat niet.
39 "Ga naar uw familie", zei Hij, "en vertel hun wat God voor u heeft gedaan." De man ging overal in de stad vertellen wat Jezus voor hem had gedaan.
40 Aan de overkant van het meer ontvingen de mensen Hem met open armen. Zij hadden op Hem gewacht.
41 Er kwam een man naar Hem toe die voor Hem neerviel. Het was Jaïrus, de leider van een synagoge. Hij smeekte of Jezus wilde meegaan naar zijn huis.
42 Zijn enige kind, een meisje van twaalf jaar, lag op sterven. Jezus ging met hem mee en baande Zich een weg door de opdringende mensenmenigte.
43-44  Onderweg slaagde een vrouw erin bij Hem te komen en Hem van achteren aan te raken. Twaalf jaar lang had zij voortdurend bloed verloren. Niemand had haar kunnen genezen. Maar zodra zij de kwast van Jezus' mantel aanraakte, hield het bloeden op.
45 "Wie heeft Mij aangeraakt?" vroeg Jezus. De mensen zeiden allemaal dat ze Hem niet hadden aangeraakt. "Maar Meester", protesteerde Petrus, "De mensen dringen immers van alle kanten tegen U op!"
46 Maar Jezus hield vol: "Er is iemand die Mij opzettelijk heeft aangeraakt, want Ik voelde dat er kracht uit Mij ging."
47 Toen tot de vrouw doordrong dat Jezus het wist, kwam zij naar voren. Bevend viel zij voor Hem neer en vertelde waarom zij Hem had aangeraakt en dat zij nu genezen was. Allen die erbij stonden, hoorden het.
48 "U bent genezen door uw geloof", zei Hij. "Ga in vrede."
49 Iemand uit het huis van Jaïrus kwam vertellen dat het zieke kind al gestorven was. "Het heeft geen zin de Meester nog langer lastig te vallen." zei hij.
50 Jezus hoorde wat er was gebeurd en zei tegen de vader: "Wees niet bang! Heb vertrouwen in Mij, want het meisje zal weer helemaal gezond worden."
51 Zij kwamen bij het huis aan en Jezus wilde niet dat iemand met Hem mee naar binnen ging behalve Petrus, Jakobus en Johannes en de ouders van het meisje.
52 Er waren allemaal mensen aan het huilen en jammeren om de dood van het kind. "Maak toch niet zoveel lawaai!" zei Jezus. "Houd op met huilen. Zij is niet dood; ze slaapt alleen maar."
53 De mensen lachten Hem in Zijn gezicht uit, want zij wisten zeker dat het meisje dood was.
54 Jezus ging naar haar toe, nam haar bij de hand en riep: "Sta op, meisje!"
55 Op dat moment keerde het leven in haar terug en stond zij op. "Geef haar wat te eten", zei Hij.
56 De ouders wisten niet wat zij zagen. Jezus wilde niet dat zij iemand zouden vertellen wat er gebeurd was.
© 2016 ERF Medien