Schließen
BibleServer is a donation based project by ERF Medien. 25 € will help us to secure next years funding.
Help

Het Boek

1 Nebuzaradan nam Jeremia mee naar Rama, nadat hij hem tussen de verbannen inwoners van Jeruzalem en Juda had aangetroffen die naar Babel werden gestuurd. In Rama liet hij hem vrij.
2-3  Toen hij hem had gevonden, riep hij Jeremia bij zich en zei: "De HERE, uw God, heeft deze ramp over dit land gebracht, precies zoals Hij had gezegd. Want deze mensen hebben tegen de HERE gezondigd. Daarom is dit gebeurd.
4 Maar u zal ik vrijuit laten gaan. Als u met mij mee wilt naar Babel, vind ik dat ook goed; ik zal ervoor zorgen dat u dan goed wordt behandeld. Maar als u niet mee wilt, hoeft het niet. Het hele land ligt voor u open; u kunt gaan waar u wilt.
5 Als u besluit te blijven, ga dan terug naar Gedalja, die door de koning van Babel is benoemd tot gouverneur van Juda en sluit u aan bij het overgebleven volk dat hij regeert. U moet zelf beslissen, u mag doen wat u wilt." Toen gaf Nebuzaradan Jeremia wat voedsel en geld en liet hem gaan.
6 Jeremia ging terug naar Gedalja en bleef bij de mensen die in het land waren achtergebleven.
7 Toen de leiders van het Joodse verzet hoorden dat de koning van Babel Gedalja tot gouverneur over de armen van het land had benoemd en dat hij niet iedereen had verbannen,
8 zochten zij Gedalja op in zijn hoofdkwartier bij Mizpa. Dit zijn de namen van de leiders die daar kwamen: Ismaël, de zoon van Nethanja; Johanan en Jonathan, de zonen van Karéah; Seraja, de zoon van Tanchumeth; de zonen van Efai, de Netofathiet, en Jezanja, de zoon van de Ma"chathiet. Zij hadden hun mannen bij zich.
9 Gedalja trachtte hen ervan te overtuigen dat het niet gevaarlijk was zich aan de Babyloniërs over te geven. "Blijf hier en dien de koning van Babel", zei hij, "en alles zal in orde komen voor u.
10 Wat mijzelf betreft, ik zal in Mizpa blijven als uw vertegenwoordiger bij de Babyloniërs, als zij hier komen om mijn beleid te controleren. Vestig u ergens in een stad en leef van de opbrengsten van het land. Oogst de druiven, het zomerfruit en de olijven en sla die op."
11 Toen de Joden in Moab, Ammon en Edom en de andere naburige landen hoorden dat een kleine groep mensen in Juda was achtergebleven en dat de koning van Babel hen niet allemaal had weggevoerd en dat Gedalja tot gouverneur was benoemd,
12 kwamen zij terug naar Juda. Zij gingen eerst naar Mizpa om met Gedalja over hun plannen te praten en trokken daarna verder naar de verlaten boerderijen, waar zij grote oogsten wijndruiven en zomerfruit binnenhaalden.
13-14  Maar korte tijd later kwamen Johanan, de zoon van Karéah, en de andere verzetsmensen naar Mizpa om Gedalja te vertellen dat koning Ba"lis van Ammon, Ismaël, de zoon van Nethanja, had gestuurd om hem te vermoorden. Maar Gedalja wilde hen niet geloven.
15 Toen sprak Johanan onder vier ogen met Gedalja en bood aan Ismaël in het geheim te doden. "Waarom zouden wij hem hier laten komen en u laten vermoorden?" vroeg Johanan. "Wat zal er dan gebeuren met de Joden die zijn teruggekomen? Waarom zou dit overblijfsel uiteengejaagd moeten worden? Dat zou hun ondergang betekenen."
16 Maar Gedalja zei: "Ik verbied u zoiets te doen, want wat u over Ismaël vertelt, is een leugen."
© 2016 ERF Medien