Schließen
BibleServer is a donation based project by ERF Medien.
25 € will help us to secure next years funding.
Help

Het Boek

1 Hier volgen de namen en familienamen van de leiders, die mij vergezelden op mijn tocht van Babel naar Jeruzalem tijdens de regering van koning Arthahsasta:
2 Van de familie Pinehas: Gersom; van de familie Ithamar: Daniël; van de familie David: Hattus,
3 de zoon van Sechanja; van de familie Paros: Zacharja en 150 andere mannen;
4 van de familie Pahath-Moab: Eljehoënai, de zoon van Zerahja, en 200 andere mannen;
5 van de familie Zattu: Sechanja, de zoon van Jahaziël, en 300 andere mannen;
6 van de familie Adin: Ebed, de zoon van Jonathan, en vijftig andere mannen;
7 van de familie Elam: Jesaja, de zoon van Athalja, en zeventig andere mannen;
8 van de familie Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, en tachtig andere mannen;
9 van de familie Joab: Obadja, de zoon van Jehiël, en 218 andere mannen;
10 van de familie Bani: Selomith, de zoon van Josifja, en 160 andere mannen;
11 van de familie Bebai: Zacharja, de zoon van Bebai, en 28 andere mannen;
12 van de familie Azgad: Johanan, de zoon van Hakkatan, en 110 andere mannen;
13 van de familie Adonikam: Elifelet, Jehiël, Semaja en zestig andere mannen (zij kwamen op een later tijdstip aan);
14 van de familie Bigvai: Uthai, Zabbud en zeventig andere mannen.
15 Wij verzamelden ons bij de rivier de Ahava. Daar sloegen wij ook ons kamp op. Bij nader onderzoek bleken er geen Levieten onder het volk en de priesters te zijn!
16 Daarom ontbood ik Eliëzer, Ariël, Semaja, Jarib, Elnathan, Nathan, Zacharja en Mesullam, allemaal leidende Levieten. Ook Jojarib en Elnathan, twee wijze mannen, kwamen.
17 Ik zond hen naar Iddo, de leider van de Joden in de plaats Kasifja. Zij moesten hem en zijn broers en de tempelhorigen vragen of zij ons priesters voor de tempel van onze God wilden sturen.
18 En de gunst van God was met ons! Hij stuurde een verstandig man, Serebja, met zijn achttien zonen en broers. Serebja was een nakomeling van Mahli, de zoon van Levi en kleinzoon van Israël.
19 Verder kwamen Hasabja en Jesaja, de zoon van Merari, met zijn twintig broers en zonen en 220 tempelhorigen
20 tempelhorigen zijn helpers van de Levieten; koning David heeft hun deze taak opgelegd). De namen van deze 220 personen werden genoteerd.
21 Om ons onze nederige positie tegenover God te laten beseffen, riep ik bij de rivier de Ahava een vasten uit. Wij baden tot God dat Hij ons een goede reis zou geven en ons, onze kinderen en onze bezittingen onderweg zou beschermen.
22 Ik had mij ervoor geschaamd de koning te vragen om soldaten en ruiters, die ons op deze tocht konden beschermen tegen vijanden. Wij hadden namelijk tegen de koning gezegd dat onze God alle mensen die Hem aanbidden, beschermt. Alleen zij die Hem hadden verlaten, worden door rampen getroffen.
23 Daarom vastten wij en baden om Gods bescherming. En Hij verhoorde ons gebed.
24 Ik stelde twaalf leiders van de priesters aan: Serebja, Hasabja en tien andere priesters.
25 Zij waren verantwoordelijk voor het vervoer van het zilver, goud en de voorwerpen die de koning, zijn adviseurs, zijn vorsten en de Israëlieten hadden geschonken voor Gods tempel.
26-27  Ik woog alles voordat ik het hun gaf. Er was 23.400 kilo zilver, 3600 kilo aan zilveren voorwerpen, 3600 kilo goud, twintig gouden bekers ter waarde van duizenden guldens en twee prachtige bronzen voorwerpen, zo kostbaar alsof ze van goud waren.
28 Ik zei tegen deze twaalf mannen: "Zoals u aan de HERE bent gewijd, zo wijd ik ook deze voorwerpen en het zilver en goud als een vrijwillige gave aan de HERE, de God van uw voorouders.
29 Bewaak deze schatten goed! Laat er niets ontbreken wanneer u ze in Jeruzalem overhandigt aan de leidende priesters, de Levieten en de leiders van Israël. Zij zullen ze neerzetten in de tempel."
30 Toen namen de priesters en de Levieten het zilver, het goud en de voorwerpen in ontvangst. Zij zouden ze naar Gods tempel in Jeruzalem brengen.
31 Op de twaalfde dag van de eerste maand braken wij ons kamp aan de rivier de Ahava op en vertrokken naar Jeruzalem. God was met ons: Hij beschermde ons onderweg tegen vijanden en bandieten.
32-33  Zo kwamen wij veilig in Jeruzalem aan. Op de vierde dag na aankomst werden het zilver, het goud en de voorwerpen in de tempel gewogen. Dit gebeurde onder toezicht van priester Meremoth, de zoon van Uria. Hij werd geassisteerd door Eleazar, de zoon van Pinehas, Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï. Zij waren allemaal Levieten.
34 Zij telden en wogen alles en noteerden elk gewicht.
35 Toen brachten de teruggekeerde ballingen brandoffers aan de God van Israël, 96 rammen, 77 lammeren en tenslotte twaalf bokken als zondoffer.
36 De brieven met de bevelen van de koning werden overhandigd aan zijn commissarissen en gouverneurs in het gebied ten westen van de Eufraat. Natuurlijk verleenden zij allemaal hun medewerking aan de herbouw van Gods tempel.
© 2016 ERF Medien