Schließen
BibleServer is a donation based project by ERF Medien. 25 € will help us to secure next years funding.
Help

Het Boek

1 Deze strijd vormde het begin van een langdurige oorlog tussen de volgelingen van Saul en David. Davids positie werd steeds sterker, terwijl die van de nakomelingen van Saul steeds zwakker werd.
2 David kreeg in Hebron diverse zonen. De oudste was Amnon, ter wereld gebracht door Ahinoam.
3 Abigaïl was de moeder van zijn tweede zoon, Kileab. De derde zoon was Absalom van zijn vrouw Ma"cha, de dochter van koning Talmai van Gesur.
4 Haggith bracht de vierde zoon, Adonia, ter wereld en daarna baarde Abital de vijfde zoon Sefatja.
5 Jithream was de zesde en zijn moeder heette Egla.
6 Terwijl de oorlog voortduurde, werd Abner steeds invloedrijker onder de volgelingen van Saul.
7 Hij misbruikte zijn positie om met Rizpa, één van Sauls bijvrouwen, te slapen. Toen Isboseth hem hiervoor ter verantwoording riep,
8 was Abner woedend. "Ben ik soms een Judeese hond, dat ik zo word behandeld?" schreeuwde hij. "Is dit mijn beloning na alles wat ik voor uw vader en u heb gedaan, door u niet aan David te verraden: mij lastigvallen over de één of andere vrouw?
9-10  God mag mij vervloeken als ik niet alles zal doen om uw hele koninkrijk, van Dan tot Berséba, van u af te nemen en aan David te geven, precies zoals de HERE het hem heeft voorspeld."
11 Isboseth durfde niets terug te zeggen, omdat hij bang was voor Abner.
12 Daarna stuurde Abner boodschappers naar David: "Sluit een overeenkomst met mij, dan zal ik alles doen om te zorgen dat u heel Israël in bezit krijgt."
13 "Goed", zei David, "maar er komt geen overeenkomst voordat u mijn vrouw Michal hebt teruggebracht."
14 Daarna stuurde David dezelfde boodschap naar Isboseth: "Geef mij mijn vrouw Michal terug, want ik heb haar gekocht met de voorhuiden van honderd Filistijnen."
15 Daarom haalde Isbo-seth haar weg bij haar man Palti. (A)
16 Deze volgde Michal tot Bahurim terwijl hij huilde van verdriet. Toen zei Abner tegen hem: "U kunt nu beter naar huis gaan." Dat deed hij toen.
17 Intussen overlegde Abner met de leiders van Israël en hij herinnerde hen eraan dat zij David al een lange tijd als koning wilden hebben.
18 "Daarvoor bestaat nu de kans", zei hij tegen hen. "Want de HERE heeft gezegd: 'Door David zal Ik mijn volk van de Filistijnen en al hun andere vijanden redden."
19 Abner sprak ook met de leiders van de stam Benjamin, waarna hij in Hebron David verslag deed over de vooruitgang die hij had geboekt in de besprekingen.
20 Twintig mannen vergezelden hem en David bood hun een feestelijke maaltijd aan.
21 Bij zijn vertrek beloofde Abner David: "Ik ga op weg om alle Israëlieten voor u bijeen te roepen; dan zullen zij een verdrag met u sluiten en zult u koning over heel Israël worden, zoals u al zolang hebt gewild." Daarop liet David Abner ongehinderd vertrekken.
22 Maar toen Abner net was vertrokken, keerde Joab met een deel van Davids troepen terug van een strooptocht die hun veel buit had opgeleverd.
23 Toen Joab hoorde dat Abner kort tevoren de koning had bezocht en ongehinderd weer was vertrokken,
24-25  spoedde hij zich naar de koning en vroeg hem boos: "Wat hebt u nu gedaan? Waarom hebt u Abner zomaar weg laten gaan? U weet heel goed dat hij hier kwam spioneren."
26 Joab stuurde daarop boodschappers achter Abner aan om hem te zeggen dat hij moest terugkomen. Zij haalden hem in bij de bron Sira en hij ging met hen mee terug. David wist hier echter niets van.
27 Toen Abner bij Hebron aankwam, nam Joab hem bij de stadspoort terzijde alsof hij hem onder vier ogen wilde spreken. Hij trok echter een dolk en doodde hem uit wraak voor de dood van zijn broer Asaël.
28 Toen David dit hoorde, verklaarde hij: "Ik zweer bij de HERE dat ik en mijn koninkrijk onschuldig zijn aan deze misdaad tegen Abner.
29 Joab en zijn familie zijn de schuldigen. Zijn familieleden zullen aan allerlei vreselijke ziekten lijden, de hongerdood sterven of in een gevecht het leven laten."
30 Zo doodden Joab en zijn broer Abisaï Abner om wraak te nemen voor de dood van hun broer Asaël in de slag bij Gibeon.
31 David zei tegen Joab en allen die bij hem waren: "Scheur uw kleren en kleedt u in zakken; we moeten rouwen om Abner." En koning David liep achter de baar naar de begraafplaats.
32 Zij begroeven Abner in Hebron. De koning en alle aanwezigen huilden toen zij bij het graf stonden.
33-34  "Als een goddeloze kwam Abner aan zijn einde", klaagde de koning. "Uw handen waren niet vastgebonden, uw voeten waren niet geboeid. U werd vermoord als slachtoffer van een gemene samenzwering." En opnieuw huilden alle aanwezigen om hem.
35-36  David at de hele dag van de begrafenis niets en iedereen smeekte hem iets te eten. Maar David zwoer dat hij niets zou eten tot de zon was ondergegaan. Deze houding van de koning sprak zijn onderdanen erg aan; zij hadden bewondering voor alles wat hij deed!
37 Zo werd het voor het hele volk, zowel Israël als Juda, duidelijk dat David op geen enkele manier verantwoordelijk was voor Abners dood.
38  David zei tegen zijn naaste dienaren: "Israël heeft vandaag een groot leider verloren. Ik voel me nu niet geroepen om Joab en Abisaï aan te pakken omdat ik nog maar net koning ben. Moge de HERE hun misdaden vergelden."
© 2016 ERF Medien