Schließen
BibleServer is a donation based project by ERF Medien. 25 € will help us to secure next years funding.
Help

Het Boek

1 Achabs zoon Joram kwam in Israël aan de regering in het achttiende regeringsjaar van koning Josafat van Juda. Joram regeerde twaalf jaar vanuit de hoofdstad Samaria.
2 Hij was een slecht man in de ogen van de HERE, maar toch niet zo goddeloos als zijn vader en moeder, want hij verwijderde het beeld dat zijn vader had opgericht ter ere van Ba"l.
3 Desondanks maakte ook hij zich voortdurend schuldig aan de grote zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die het volk van Israël had aangezet tot de verering van afgoden.
4 Koning Mesa van Moab en zijn onderdanen waren schapenfokkers. Jaarlijks betaalden zij Israël een belasting van 100.000 lammeren en de wol van 100.000 rammen.
5 Maar na Achabs dood kwam de koning van Moab in opstand tegen de Israëlitische overheersing.
6-8  Daarom mobiliseerde koning Joram het Israëlitische leger en stuurde de volgende boodschap naar koning Josafat van Juda: "De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wilt u met mij tegen hem ten strijde trekken?" "Maar natuurlijk", antwoordde Josafat. "Mijn mensen en paarden staan u ter beschikking." "Via welke weg kunnen we het beste optrekken?" vroeg Joram. "Wij zullen ze aanvallen vanuit de woestijn van Edom", liet Josafat weten.
9 Zo maakten hun twee legers, nog extra versterkt met de troepen van de koning van Edom, een omtrekkende beweging door de woestijn die hun zeven dagen kostte. Het nadeel daarvan was echter dat er geen water was voor de manschappen en de lastdieren.
10 "Wat moeten we doen?" vroeg de koning van Israël tenslotte vertwijfeld. "De HERE heeft ons drieën hier gebracht om de koning van Moab de kans te geven ons te verslaan."
11 Maar koning Josafat van Juda vroeg: "Is er geen profeet van de HERE bij ons? Als dat zo is, kunnen wij er achter komen wat wij moeten doen." "Elisa is hier", antwoordde één van de dienaren van de koning van Israël. "Hij was de helper van Elia."
12 "Prachtig", zei Josafat opgelucht, "dat is de man die het woord van de HERE spreekt." Zo gingen de koningen van Israël, Juda en Edom naar Elisa om raad te vragen.
13 "Met u wil ik niets te maken hebben", viel Elisa uit tegen koning Joram van Israël. "Ga maar naar de profeten van uw ouders!" Maar koning Joram zei: "Nee! De HERE heeft ons hierheen geroepen om door de koning van Moab te worden verslagen."
14 "Ik zweer bij de HERE van de hemelse legers, Die ik dien, dat ik niets met u te maken zou willen hebben als koning Josafat van Juda er niet bij zou zijn", antwoordde Elisa.
15 "Laat iemand komen die voor mij op de citer kan spelen." En terwijl op de citer werd gespeeld, kreeg Elisa de volgende boodschap van de HERE:
16 "De HERE zegt dat in deze droge vallei greppels moeten worden gegraven om het water vast te houden dat Hij zal geven.
17 U zult geen wind of regen voelen, maar deze vallei zal met water worden gevuld, zodat u voldoende hebt voor uzelf en uw dieren.
18 Maar dit is slechts het begin, want de HERE zal ook het leger van Moab aan u uitleveren.
19 U zult hun mooiste steden innemen (ook die versterkt zijn), alle goede bomen vellen, alle waterbronnen dichtgooien en hun goede land zult u met stenen onbruikbaar maken."
20 En inderdaad, de volgende dag, rond de tijd van het morgenoffer, kwam uit de richting van Edom het water de vallei binnenstromen. Al spoedig stond het water overal.
21 Intussen had men in Moab gehoord dat er drie legers naderden en alle mannen, van jong tot oud, werden onder de wapens geroepen. De Moabitische troepen betrokken stellingen langs de grens.
22 Maar toen de volgende morgen de zonnestralen over het water schenen, leek het wel bloed.
23 "Bloed", schreeuwden zij. "De drie legers zijn elkaar te lijf gegaan en hebben elkaar afgeslacht. Vooruit, laten we ons tegoed doen aan de buit!"
24 Maar toen zij bij het Israëlitische kamp aankwamen, stormde het Israëlitische leger op hen af en begon een slachting aan te richten onder de Moabieten. Die sloegen meteen op de vlucht. De mannen van Israël trokken verder het land Moab in en doodden onderweg alle inwoners die zij tegenkwamen.
25 Zij verwoestten de steden, gooiden stenen op elke goede akker, dempten de bronnen en hakten de fruitbomen om. Tenslotte stonden alleen de muren van fort Kir-Hareseth nog overeind. Toen de slingeraars het omsingelden en beschoten,
26 zag de koning van Moab dat hij de strijd had verloren en trachtte hij aan het hoofd van 700 zwaardvechters nog een laatste vertwijfelde doorbraak te forceren om de koning van Edom aan te vallen. Maar ook dat plan slaagde niet.
27 Toen nam hij uit wanhoop zijn oudste zoon, die hem had moeten opvolgen, doodde hem en offerde hem als brandoffer op de muur. Het Israëlitische leger zag dat met afgrijzen gebeuren. Vol afkeer lieten zij hem verder met rust en gingen terug naar hun land.
© 2016 ERF Medien